Wachten op Walter

Ik wacht op een telefoontje zoals ik tien jaar geleden op een telefoontje wachtte. De zenuwen zijn zowat hetzelfde. Toen was het de conrector die mij ging vertellen of ik geslaagd was voor mijn eindexamen. Nu is het Walter.

Omdat de jaarlijkse aanwas van scheidsrechters buitengewoon mager is, besteedt de voetbalbond veel aandacht aan de nieuwkomers. Na het behalen van mijn fluitdiploma ben ik dus niet zomaar in het diepe gegooid.

De eerste helft van het seizoen verbleef ik met de andere fluitgroentjes in de zogeheten START-groep, en terwijl ik zo’n half jaar in dat beginnersklasje zat, observeerden en beoordeelden meerdere praktijkbegeleiders mijn prestaties op en rond het veld. Hun bevindingen noteerden ze in rapporten aan de hand waarvan ik mezelf kon proberen te verbeteren.

Daarnaast moest ik na elke wedstrijd een heus zelfreflectieformulier invullen. Als in een clichématig sollicitatiegesprek probeerde ik telkens weer zo gewiekst mogelijk te antwoorden op de vraag wat mijn zwakke punten waren („ik ben erg perfectionistisch”) om het ingevulde formulier vervolgens op te sturen naar mijn persoonlijke coach. Die coach, bij wie ik ook nog eens bijna dag en nacht met al mijn vragen en opmerkingen terecht kon, heet Walter. Hij fluit zelf al jarenlang op hoog amateurniveau en heeft mij vanochtend gemaild dat hij me eind van de middag gaat bellen in verband met de nieuwe groepsindeling.

Eindelijk is het dan zover. Vandaag hoor ik of ik nóg minimaal een paar maanden de matige reserve-elftallen onder mijn hoede krijg of in plaats daarvan wekelijks op een hoger niveau mag gaan fluiten. Een hoger niveau betekent de eerste elftallen, de vlaggenschepen van de clubs. Het echte werk.

Mijn mobiel rinkelt. Het is m’n moeder, ik laat ’m maar even op de voicemail gaan. Walter heeft geen exact tijdstip genoemd, maar het kan niet lang meer duren voordat het telefoontje komt. Het is al bijna geen eind van de middag meer, en Walter is in zijn afspraken zo punctueel als je van een goede scheidsrechter mag verwachten.

Eigenlijk heeft het iets raars. Hoe beter een scheids wordt, hoe hoger hij mag fluiten. Dat klinkt misschien logisch, maar hoe bedroevender het niveau op het voetbalveld, hoe moeilijker het vaak voor een scheidsrechter is. De lagere elftallen maken de meest gruwelijke overtredingen uit pure onkunde en omdat het allemaal per ongeluk gaat, krijgen de scheids en de tegenstander daarna nog een grote bek ook. Ik vraag me wel eens af wat er toen in Almere, op die fatale dag in december, zou zijn gebeurd als er een topscheids aan het roer zou hebben gestaan. Was het dan allemaal anders gelopen?

Mijn mobiel begint weer te rinkelen en ik zie de verlossende naam in het schermpje staan.

Nadat ik heb opgenomen zegt Walter met een blije stem: „Ik heb bijzonder goed nieuws voor je!”

Het lijkt erop dat ik de krochten van het amateurvoetbal definitief achter me heb gelaten.