Lousje heeft het vooral over poezen die alleen maar tartaartjes blieven

In de jaren vijftig schreef J.J. Voskuil (1926-2008) een tijd recensies voor NRC Handelsblad en enkele tijdschriften. Hij hoopte ermee in zijn levensonderhoud te voorzien – en daarmee van zijn halve baan bij ‘het Bureau’ van P.J. Meertens te kunnen afkomen. Maar al snel bleek dat zijn vrouw en hij niet konden leven ‘van het afkraken van boeken’, zoals Lousje Voskuil het noemt in haar terugblik, te vinden in de inleiding die Detlev van Heest schreef bij Ik ben ik niet, een bundeling van Voskuils kritieken.

Was Voskuil werkelijk de voortreffelijke criticus met heldere denkbeelden en afgewogen oordelen, die Lousje in hem zag? Ik ben daar nog niet meteen van overtuigd. Er zit zeker een zeer eigen, geamuseerde toon in de stukken, maar de redeneringen zijn vaak omslachtig, de vergelijkingen onnavolgbaar en de oordelen lang niet allemaal even uitgesproken. Het mooist is het stuk ‘In mineur’, een zogeheten stapelrecensie. Over het gros van de boeken dat hij bespreekt zou hij het liefst zwijgen, maar dat kan nu eenmaal niet. Dus dan vallen er woorden als ‘seniel’, ‘oerdom’, ‘snobistisch’ en ‘schijnheilig’ en merkt hij over de zoveelste roman van zekere Johanns Rösler op dat die zo onbeschrijflijk melig is ‘dat het geeuwen je zelfs vergaat.’

Over het gebruik van het woord ‘ik’ in recensies zegt hij ironisch dat dat weinig te betekenen heeft: het wekt alleen maar een schijn van oprechtheid. Dat die montere ik niet altijd ik was, blijkt ook wel uit de inleiding van Van Heest. Daarin gaat het over de existentiële crisis waarmee Voskuil in de jaren vijftig kampte. Hij wilde een compromisloos schrijversleven leiden, zonder ‘betrekking’, ver weg ook van wetenschappelijke pretenties. Maar al zijn vrienden kregen banen, en zichzelf vond hij terug op het gehate Bureau.

Het klinkt misschien zwaar en droefgeestig, maar dat is het niet. Het bijna honderd bladzijden tellende gesprek met Lousje Voskuil is levendig, sympathiek en aandoenlijk. Het is licht en droog – van Bureau-kwaliteit, zal ik maar zeggen. Het gaat over poezen die alleen maar tartaartjes blieven, terwijl Lousje zich voornamelijk voedt met tuinbonen. Over de parkeerboetes die Van Heest uitdeelt in Hilversum. Over een wandeling door de Vruchtenbuurt in Den Haag. En tussendoor gaat het steeds over Voskuil, met wie Lousje het zo enorm getroffen had.

Toch is haar eindoordeel hard. Zij beschouwt zijn leven als mislukt omdat hij zoveel water bij de wijn moest doen – en dan heeft hij ook nog tot euthanasie besloten, terwijl hij daar altijd zo op tegen was. Over zichzelf is ze evenmin tevreden. Ze had ‘liever’ moeten zijn en hem meer moeten steunen. Het woord ‘mislukt’ heeft hier wel een speciale betekenis – in een wereldbeeld waarin nietsdoen hoger staat aangeschreven dan een baan, waarin argwaan meer wordt gewaardeerd dan tevredenheid en armoede meer dan rijkdom. Lousje vindt het ‘verschríkkelijk’ dat ze er niet in is geslaagd arm te blijven. Zoals ze het ook vreselijk vindt dat ze haar gedachten niet meer met een leeftijdsgenoot kan delen. Als Van Heest op een broeierige dag zegt dat hij bang is voor onweer, vlamt ze nog één keer op. ‘Mij kan het niet hard genoeg bliksemen. Laat de boel maar vergaan! Laat de boel maar naar de bliksem en de donder gaan, want de wereld deugt toch niet!’