Liefde is het enige

Een paar woorden uit Leo Vromans laatste gedicht blijven enorm in de gedachten haken: ‘die laaiende gestalte van mij’. Wat zou dat zijn, iemands laaiende gestalte? Als je eraan denkt zie je een gestalte in tegenlicht, omringd door vlammen of zonlicht. Kinderen die op een duin staan „met kleine zonnen naast hun armen,/ naast hun knieën, die werden waar/ zo’n zon scheen dun” schreef Chr. J. van Geel ooit eens. Een laaiende gestalte is natuurlijk ook een bezielde gestalte, een gestalte waaruit geest spreekt. Iemand die leeft.

Waar zal die laaiende gestalte

van mij dan uit bestaan

en waar kwam die al te late

eerste vonk vandaan?

Wat een vragen durfde die Vroman toch te stellen. Hij lijkt soms Meister Eckhart wel, de dertiende-eeuwse mysticus met zijn ‘zielevonk’. Waar kwam die eerste vonk vandaan? Van God, zegt Eckhart. Vroman zegt dat zo niet – God kwam vroeger wel in zijn gedichten voor, maar in 1995 introduceerde hij in zijn bundel Psalmen het woord ‘Systeem’. Systeem was niet die God „waarvan men gave en gebod en wraak wacht/ en tot wiens genot men volkeren vermoordt”. Het woord God was voor Vroman te veel bezoedeld. Maar hij wilde wel iets om zich tot te richten als hij het had over het onbegrijpelijke en schitterende van alles wat er is. „Wel wil ik geloven in een Systeem dat onmenselijk groot is en dat ons menselijk heelal, en elk ander heelal, waarin ieder en alles een onbegrijpelijk mooie plaats inneemt, bestuurt” schreef hij eens.

Dat onbevattelijke Systeem, waarin zoals bekend ook wreedheden voorkomen, waarin bijvoorbeeld de cheetah de gazelle doodbijt – „Zo zoet en zo ellendig mooi” – waarin oorlogen razen, mensen elkaar pijnigen en doden, daar wilde hij dan ook nog eens van houden. Daarvoor gebruikte hij steeds het woord ‘liefde’.

Lees je even in zijn oeuvre – het is gigantisch en je zou er weken in rond kunnen dobberen – dan word je overspoeld door allerlei beelden, allerlei grappen, gedachten, rijmen en ongerijmdheden. En toch blijft het gevoel dat één regel van hem in zekere zin dat hele werk samenvat: „Liefde is het enige.”

Wat is dat dan voor liefde? Soms irriteerde het me wel eens, eerlijk gezegd, al die liefde van Vroman voor alle cellen, bloedplaatjes, zenuwen, dat volhouden dat alles en alles beminnenswaardig is, de moordenaar, de bek vol bloed.

Misschien, als het niet om zwakkere verzen ging, want die zaten er natuurlijk ook wel bij in die schier onstuitbare stroom, heeft die ergernis te maken met het eigen tekortschieten ten opzichte van dit gevoel. Ik zou ook wel innig van alles willen houden. Maar een krantenfoto zoals Vroman die beschrijft in Liefde, sterk vergroot, waarop een jonge vrouw en een meisje te zien zijn, zojuist doodgeschoten in El Salvador – zomaar, daarom, zoals dat gaat – hoe kun je die met liefde bekijken? Vroman schrijft, nadat hij de afschuwelijkheid van wat hij ziet heus duidelijk heeft gemaakt, dat hij een vergrootglas pakt – ‘want wij moeten de wonden voelen van dit ongeluk’ – en dat die foto dan uiteenvalt in ‘bloesemende sproeten’. En dan besluit hij met weer die onbegrijpelijke liefde van hem: „heerlijk is alles van dichtbij genoten/ zelfs het krioelen van onze dood/ als van het zaad zo vaak verliefd vergoten/ en soms in onze liefde sterk vergroot”.

Het is geen willoos berusten of aanvaarden, het is een voortdurende activiteit, die liefde van Vroman, een hartstochtelijk oproepen van een vrede die niet bestaat, een bezweren van de angst. Met liefde.

Nee, dat begrijp ik niet. Nee dat kan ik niet. Gelukkig blijft er die laaiende gestalte. Om van te horen hoe dat moet.