Jan Hoet, de enthousiaste ‘kunstjezuïet’

„Voor mij is kunst denk ik net zoiets als God voor de jezuïeten”, zei Jan Hoet tegen zijn biograaf Hans den Hartog Jager. Die blikt op persoonlijke wijze terug op de gisteren overleden Vlaamse kunstkenner.

Foto Vincent Mentzel

Nog maar een klein jaar geleden zaten Jan Hoet en ik tegenover elkaar in Mub’art, het restaurant tegenover ‘zijn’ SMAK. Voor een interviewboek over zijn leven spraken we over zijn katholieke opvoeding, over zijn passie voor kunst en over alle aanslagen (kanker, nierdialyse) die zijn lichaam de afgelopen decennia had overleefd – nog maar enkele maanden eerder was hij bijna-dood verklaard na een hartaanval op het vliegveld van Hamburg.

En ineens ging het gesprek over twijfel. Hoet nam een slok van zijn witte wijn („ik mag van de artsen niet meer drinken”) en sprak, met ogen die glinsterden achter zijn brillenglazen: „Voor mij is kunst denk ik net zoiets als God voor de jezuïeten. Het is een kernvraag waar je altijd omheen blijft draaien, je hele leven lang, terwijl je weet dat je het antwoord niet zult vinden.” Hij leek er niet ontevreden mee. Even later, toen ik terugkwam van de wc was Hoet verdwenen. Ik vond hem buiten: met de blik van een ondeugend kind stond hij te trekken aan een sigaret.

Aan dit moment moest ik denken, toen gisterochtend bekend werd dat Jan Hoet die nacht op 77-jarige leeftijd was overleden. We zaten met een groepje ‘kunsttypes’ bij elkaar in het Frans Hals Museum en wat meteen opviel was dat zich niet alleen een diepmelancholieke stemming van het gezelschap meester maakte, maar ook dat iedereen op zijn eigen manier een heel persoonlijke band had met de ‘Vlaamse kunstpaus’. De oud-directeur van het Frans Hals Museum vertelde hoe vaak hij Hoet op openingen en bijeenkomsten was tegengekomen en hoezeer hij hem bewonderde om zijn vermogen nieuwe kunstenaars te ontdekken. Het Hoofd Collecties, die vroeger bij de Stadsgalerij in Heerlen werkte, vertelde hoe Hoet, toen haar museum onder vuur lag, hoogstpersoonlijk naar Heerlen reisde om voor de gemeenteraad een vurig steunpleidooi af te steken. En de kunstenaar memoreerde hoe Hoet als een van de eersten buiten Nederland haar talent erkende en haar meteen een tentoonstelling aanbood in zijn Gentse Museum. Iedereen, kortom, kende Jan Hoet en allemaal hadden ze een bijzondere, persoonlijke band met hem.

Dat was ongetwijfeld de grootste kracht van Hoet: niet alleen was hij alomtegenwoordig zoals het een kunstpaus betaamt, door zijn enorme energie fungeerde hij als een motor voor heel veel artistieke ideeën en ontwikkelingen. Hoet ontdekte aan de lopende band kunstenaars (waar dus ook wel eens een misser tussen zat), hij bedacht nieuwe tentoonstellingsconcepten (zijn Chambres d’Amis (1986) waarbij grote kunstenaars hun werk ‘gewoon’ in Gentse huiskamers toonden is een terechte klassieker) en hij liep zich decennialang het vuur uit de sloffen om een museum voor hedendaagse kunst in ‘zijn’ Gent te realiseren. Wat Hoet daarbij geloofwaardig maakte was dat hij zelf veel trekken van een kunstwerk had: aan de ene kant intens gedreven om zijn artistieke visie op de wereld over te brengen, maar ook zoekend en zichzelf regelmatig tegensprekend (soms tot hilariteit van de buitenwereld). Zelf weet hij die laatste eigenschap aan zijn opleiding bij de jezuïeten. In ons gesprek zei hij daarover: „Ik zie mijn visie op het leven, op kunst, graag als een pendel. Als ik nadenk over een onderwerp kies ik eerst voor een standpunt. Dan zwiep ik naar de totale tegenstelling daarvan. Zo gaat het heen en weer, trager en trager, tot de pendel tot stilstand komt – dan heb ik m’n standpunt bepaald.”

Juist dat pendelen verschafte hem een vrijheid die anderen zichzelf niet snel durfden toe te eigenen.

Hoet vertelde bijvoorbeeld hoe hij, opgeleid als kunstenaar, in zijn armste periode bij het SMAK de belasting op kunstwerken omzeilde door kunstwerken vanuit het buitenland naar zijn museum te laten sturen.

In Gent kopieerde hij die werken, of ze nu van Joseph Beuys waren of van Richard Tuttle, en kocht het origineel aan voor zijn museum. Vervolgens stuurde hij de kopie terug, zodat de douane niet doorhad dat het werk in België was achtergebleven en er geen importbelasting hoefde te worden betaald. „De douanen zagen nooit wat, niemand had ooit door dat ik ze had gemaakt.”

Toen ik hem op het eind van ons gesprek vroeg of hij zichzelf nog steeds als gelovig beschouwde was zijn antwoord stellig: „Ja, toch. Weet u wat de grootste verworvenheid is van het christendom, van het katholicisme: de verzoening ten opzichte van de dood. De verrijzenis. Het eeuwige leven, waarmee de dood wordt overwonnen. Dat vind ik zo mooi, er is geen andere godsdienst die dat heeft.” Gaf het geloof hem vrede met de dood?

„Zeker. Weet je wat het is: mijn diepste geloof is dat het universum oneindig is, maar dat er, en dat lijkt een contradictie, uiteindelijk niets verloren gaat. Alles blijft erin. Niets kan eruit. Dat betekent ook dat als je sterft, je er nog altijd bent. Je weet alleen niet hoe en op welke manier. Dat was misschien wel het mooie aan de reacties na mijn laatste ongeluk: heel even kreeg ik een glimp op het leven na mijn overlijden. En dat was niet zo gek. Mensen bleven me toch nog herinneren.” Een tevreden glimlach kon hij net niet onderdrukken.