‘Ik wil mijn personages geen loer draaien’

Het Boekenweekgeschenk Een mooie jonge vrouw over een relatie tussen een oude man en een jonge vrouw was er nooit gekomen zonder de CPNB. Tommy Wieringa: ,,Het geluk van een nakomertje waar je niet meer op hebt gerekend, maar dat je leven toch verandert.”

Hij is net terug van vakantie in de Antillen. En nu is alles „gruizig”, zegt Tommy Wieringa. „Sterfgevallen, ziekenhuizen, kinderen slapeloos en van slag. Het is geen rustige aanloop naar de Boekenweek.” Volgende week leest iedereen Een mooie jonge vrouw, zijn Boekenweekgeschenk. Hij wijst grinnikend passages aan die hem plezier doen. Het zijn zinnetjes waarin met weinig woorden veel gebeurt.

‘Hij leek me wel leuk. Oud maar leuk.’

Oud maar leuk...’ Edward speelt pijn die echt is.

Zonder de opdracht van de CPNB zou dit boekje er niet geweest zijn, zegt hij. „Een dankbaar boek. Het geluk van een nakomertje, iets waar je niet meer op hebt gerekend, maar dat je leven toch verandert.”

Eigenlijk wilde hij een ander verhaal uitwerken, dat hij al jaren in portefeuille had voor als hem ooit gevraagd zou worden het geschenk te schrijven. Maar het werden de oudere man en de jonge vrouw. De kiem van dat verhaal is ook al ouder. In 2009 vraagt een interviewer of hij zich kan voorstellen dat hij zijn gezin verlaat voor een jongere vrouw. Hij antwoordt: „Ik denk aan een spiegel waarin ik mezelf als oude man zie met haar, die jongere vrouw, naast me. We poetsen samen onze tanden. Dat werkt louterend.”

Zo’n spiegelscène komt al voor in een column uit 2007: ‘Ze zullen niet samen oud worden, hij is het al, en zal, als de demografie haar algemene wetten toepast, niet lang genoeg leven om het haar te zien worden. Wat begon als overwinning is nu een ongelijke strijd. [...] Langzaam bederft zijn ouderdom haar jeugd.’ Onder die column staat: ‘Dit is een voorstudie. Al weet ik nog niet waarvoor.’

„Wijsheid vooraf”, zegt Wieringa nu. „Soms werk je aan boeken waarvan je niet weet dat je ze aan het schrijven bent.” In Een mooie jonge vrouw staan ze opnieuw voor de spiegel. Wat begint als idylle ontspoort vrijwel onmiddellijk. Hun liefde, hun wereldbeeld. Hij is een viroloog die dierproeven doet. Zij is een vegetariër. Er komt een kind. Er is een minnares die nog jonger is. Ten slotte zit hij als Job neer in de as, voor een huurcaravan op een camping aan de A27.

„Een vriendin vertelde ooit dat ze ruzie had met haar geliefde. Hij was twintig jaar ouder. Ik vroeg: hoe gaat zo’n ruzie? Houdt hij zich in? Zij heeft nog een leven voor zich. Hij heeft vóórgeleefd, leent nu tijd. Zo is het begonnen. Ik snapte alles al, maar ik moest er nog een boek van maken om de tragiek in zijn geheel te zien.”

Zíj is gelijkmoedig, en meedogenloos.

„Ik laat haar zien in de angst voor het huwelijk met deze eenzelvige man. Ze vreest dat ze in vriendelijkheid zullen verstarren, langzaam met ijskristallen begroeid raken. Zij leeft volgens een ijzeren plan. Ze vertegenwoordigt, sterker dan hij, een principe. Ze is een katalysator. Een stof die een scheikundige reactie mogelijk maakt en daarna onveranderd terugkeert.”

Zijn vrouwen zo?

„We moeten oppassen voor te grove generalisaties, maar in mijn leven is dat zo. Ik ben een paar keer in een situatie geweest waarin ik op mijn knieën moest, maar ik heb zelden gemerkt dat vergeving duurzaam geschonken werd. Aan de andere kant heeft deze man in zekere zin zijn eigen ongeluk gezocht. Hij heeft de consequenties van zijn begeerte niet overdacht. Dat is een te gekke eigenschap maar niet per se verstandig.”

U jaagt hem naar de ondergang.

„Het is geen schematische ondergang. Zijn omgang met proefdieren verandert. Hij ontdekt opnieuw dat hij een hart heeft. Empathie kun je leren – dat kan een boek doen, zowel met een lezer als met een personage. Hij loopt langs de afgrond. Eindigen op de camping, het treurigste wat iemand kan overkomen; hij heeft er leedvermaak over, maar weet nog niet dat hij er zelf een knipoog van verwijderd is, van dat noodlot.

„Toch open ik luikjes naar een mogelijke toekomst. De eerste keer dat hij daar wakker wordt – het is lang geleden dat hij wakker werd in de zon – ziet hij hoe spinnetjes webben weven tussen de grashalmen. Die kun je zien omdat er dauw op ligt. In al zijn ellende valt hem dat op. Het zijn kleine aanwijzingen dat er leven voor hem is na dit verhaal. Ik hou er niet van om personages een loer te draaien. Om ze uitsluitend in te richten op verlies.” Hij zoekt naar nog een beeld. „Ik wil ze niet te zuinig afstellen.”

De vrouw heet Ruth.

„Ik heb vroeger veel betekenis in namen gelegd, maar daar moet je hier niks achter zoeken. Uit eigennamen kun je geen bijbelverwijzingen peuren, die namen zijn zo algemeen. Ruth Walta vond ik een naam die stond als een huis.”

‘Dit zijn de namen’, uit 2012, heeft iets van een parabel, al weet je niet precies waarvan. Bij zulke boeken denk je soms dat de auteur er een puzzel van heeft gemaakt, als een sudoku.

„Dat is de leesclubmethode. Het levert dan ook teleurstellingen op bij zulke avonden. Want veel dingen zijn niet ‘bedoeld’. Toch is veel literatuur wel zo in elkaar gestoken. Het meeste wat Harry Mulisch heeft geschreven, bijvoorbeeld – het denkzweet druipt eraf. Ik wil bij voorkeur verhalen schrijven die niet af zijn. Al is er natuurlijk wel een noodzakelijke strengheid, en daar mag juist geen rafel in zitten. In dit boekje zit er helaas wel een. Ik schreef ‘een witte laborantenjas’. Vreselijk. Ik zag het pas bij het voorlezen voor de luisterboek-editie.”

Nu ja, als het erger niet is?

„Laten we het houden op de Arabische weeffout, die móet er zijn – alleen god maakt volmaakte dingen.”

Een criticus in deze krant noemde ‘Dit zijn de namen’ mooischrijverij.

„Oei, ja... Een vervelend stukje, waar ik niet op bedacht was. Ik wil er eigenlijk niet over praten. Binnen twee zinnetjes werd mijn leven gereduceerd tot mooischrijverij. Maar het is niet de taal om de taal; de taal dient volledig het verhaal. Je moet er beter over nadenken voor je zoiets opschrijft en ook aanwijzen waar het ’m dan in zit.”

Kunt u zich voorstellen dat iemand denkt: klinkt leuk wat ik schrijf, ik weet niet precies wat het betekent, maar ik kom ermee weg?

„Ja, maar niet voor mezelf. Het streven is toch altijd naar grotere helderheid. Uiteindelijk wil ik schrijven met de beknoptheid van een bankcheque, zoals Isaak Babel zei.”

Over ‘Caesarion’ zei u dat u vond dat er in elke zin iets moest gebeuren. Nu niet meer? Zijn er zinnen die pas op de plaats maken?

„Marcel Möring zei ooit: sommige stukken schrijf je alleen als verbinding naar het volgende. Ik las dat toen met afgrijzen. Ik begrijp het nu in zoverre dat er zinnen zijn die geen afzonderlijke nadruk nodig hebben. Dat schoonheid een mooie zin niet per se reden van bestaan geeft. Ik ben doelgerichter gaan schrijven. Wat me ergert aan veel literatuur zijn de uitgebreide beschrijvingen. Je hoeft – echt – niet – de omgeving of een uiterlijk te beschrijven. Twee, drie woorden zijn genoeg.”

Hoe abstract kan het zijn? ‘Dit zijn de namen’ is Mondriaan bij zijn overgang van figuratief naar abstract. ‘Een mooie jonge vrouw’ is een kleiner doek, en een ander penseel.

„Dat is een uitdagende vraag. Ik zou nu onmiddellijk iets willen proberen. Een verhaal schrijven als een klare-lijntekening, een object dat botst met een ander object, en dat dat alles was, en er toch een interessante conversatie van maken. Twee objecten in een sneeuwlandschap, bijna niets – je kunt het nauwelijks schrijven omdat je taal nodig hebt om het in te vervatten en daarmee betekenis, gewicht – maar daar droom ik van.

„Goede kunst is helder. Je moet heel veel dingen uit de troebelheid tevoorschijn schrijven. Dingen die je nog niet weet, alleen voorvoelt. Het begint met een zinnetje. Alles wat erom staat weglaten. En ruimte laten voor het ongelofelijk krachtige instrument van de verbeelding. Niet van mij, maar van degene die gaat lezen.”

Is dat ook fysieke ruimte?

„Ik kan niet goed schrijven over stadse belevenissen. Oek de Jong spreekt daar laatdunkend over, boeken ‘over exotische oorden’. Hij zegt: je moet het dichtbij houden. Maar ik vind dat er ook wat te beleven moet zijn. Daar ontbreekt het in veel boeken aan, aan avontuur. Er gebeurt gewoon geen zak. Het gruwelijke avontuur van Dit zijn de namen kon ik niet op de Veluwe laten plaatsvinden. Niet in Nederland. Of ik had een soort post-apocalyptische ruimte moeten scheppen. Maar dan moet je eerst een bom laten vallen, en dat is gedoe. De apocalyps is gedoe. Don Quichot, Moby-Dick? Ruimte voor het avontuur!”

Boekenweekgeschenk 2014? Camping De Berekuil!

„Ander soort avontuur. Klein verhaal. 96 pagina’s. Binnen die ruimte past dit avontuur.”