Een zwiep na de dood en dan leef je weer

Wat gebeurt er als je de dood van een kind niet accepteert? In haar nieuwe roman Een handvol sneeuw wekt Jenny Erpenbeck haar hoofdpersonage keer op keer tot leven, zodat ze haar bestaan kan vervolgen.

Jenny Erpenbeck
Jenny Erpenbeck FOTO MAARTEN VAN HAAFF

De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen. Voor een roman zijn het plechtige beginwoorden, bedoeld om je te laten berusten in het onvermijdelijke. Maar wat gebeurt er als je dat niet accepteert, omdat de dood te vroeg langskomt en je kind kaapt? In Een handvol sneeuw van de Duitse Jenny Erpenbeck ligt de oplossing voor de hand: je geeft het lot van je personages na hun dood een zwiep van een paar graden en wekt ze weer tot leven, zodat ze hun aardse bestaan kunnen vervolgen.

Erpenbeck pakt de draad van een leven vijf keer op. Zoiets kan tot clichés leiden, maar bij haar is het tegendeel waar. Net als in haar roman Huishouden (2010) weet ze haar personages een unieke stem te geven. Ieder heeft zijn eigen taal en toon, elk hoofdstuk zijn eigen ritme. Ook zet ze een geloofwaardig historisch decor neer, waarmee ze de geschiedenis van de hele 20ste eeuw beschrijft aan de hand van de lotgevallen van een paar mensen. Kortom, ze bespeelt een orgel met vele registers.

Een handvol sneeuw begint met de dood van haar hoofdpersoon, een acht maanden oude baby, die stikt in haar wieg terwijl haar moeder niet weet wat ze moet doen om haar kind te redden. Logisch dat die moeder niet berust in dat lot. Erpenbeck beschrijft haar leed fatalistisch, aan de hand van een heuvel aarde die zich boven een begraven volwassene welft: ‘Boven een baby die plotseling gestorven is, welft de heuvel zich vrijwel niet.’ Zo’n zin schrijnt, en precies daarmee word je deze verfijnde roman binnengesleept.

In Een handvol sneeuw is het niet alleen de jonge moeder die rouwt, maar ook de grootmoeder. Zij vertelt dat het onheil in haar familie begon toen haar dochter zelf nog een baby was. Meteen voert Erpenbeck je mee naar het stadje Brody aan de oostelijke rand van het Habsburgse keizerrijk. Die grootmoeder is een Jodin wier man – een rijke koopman met het verzameld werk van Goethe in de kast – tijdens een pogrom aan stukken werd gehakt door antisemitische Polen. Het is een geheim dat ze zorgvuldig bewaart, totdat ze beseft dat ze haar wanhopige dochter in leven moet houden en het onthult. Die moord blijkt nu ook de reden waarom ze haar dochter heeft laten trouwen met een niet-Jood: een katholieke keizerlijke spoorwegambtenaar, die maar geen carrière wil maken.

Na het verlies van zijn kind kan de spoorwegambtenaar het leven niet meer aan en vlucht naar Amerika. Zijn verlaten vrouw eindigt als hoer. Einde eerste deel.

In een intermezzo, voorafgaand aan het tweede deel, redt de moeder haar kind door sneeuw op het hartje te leggen, waardoor het niet stikt. Het kind groeit op tot een mooie jonge vrouw en krijgt een zusje, de spoorwegambtenaar vindt een baan bij een meteorologisch instituut in Wenen en sukkelt weg boven zijn documenten, zijn vrouw houdt het geheim van de moord op haar vader voor zich.

De Eerste Wereldoorlog is net afgelopen, het is een tijd van armoede. En dan klopt het noodlot opnieuw aan als de jonge vrouw na afgewezen te zijn in de liefde op straat door een nog wanhopigere man wordt aangesproken. Om wraak te nemen op het leven stelt ze hem voor dat hij niet alleen zichzelf, maar ook haar doodschiet. Een jaar later sterft haar vader uit levensmoeheid, het zusje wordt in 1944 door de nazi’s vermoord.

In het derde deel geeft Erpenbeck het lot opnieuw een zet en laat ze haar heldin niet in contact komen met die wanhopige man. Wel duikt ze eind 1938 in Moskou op, waar ze als communiste met haar Duitse man naartoe is gevlucht voor de nazi’s. Die man is inmiddels in Stalins terreurmolen verdwenen. Zelf wacht ze op haar arrestatie en veroordeling. In de goelag sterft ze van uitputting. Als ze in de vrieskou als een hoop bevroren botten in een graf wordt gegooid, lees je een typische Erpenbeck-zin: ‘Dat geluid klinkt zoals wanneer iemand houten dominostenen in een kistje teruggooit’.

In het intermezzo voorafgaand aan het vierde deel dient Erpenbeck enkele lotsvarianten op, alvorens haar heldin verder te laten leven. Zo laat ze haar uitgekotst worden door haar Russische omgeving en laat ze haar overwegen of ze haar lichaam zal verkopen om in leven te blijven. De verlossing komt als een Sovjetdichter verliefd op haar wordt en een kind bij haar verwekt om vervolgens te verdwijnen, op de vlucht voor de oprukkende Duitsers. Dood of leven – het is een kwestie van toeval, lijkt ze daarmee te willen zeggen. Na 1945 keert de vrouw, die eindelijk een naam, Lisa Fahrenwald, heeft, een glanscarrière in de DDR als communistische schrijfster. Ze is oud, lastig en gebrekkig. Maar zelfs dan krijgt ze, als ze van de trap valt en sterft, nog één kans.

Erpenbeck laat een paar constanten in de vijf delen terugkeren, zoals het verzameld werk van Goethe, de neiging om je lichaam te verkopen, het geheim van de verdwenen vader, de welvende grafheuvel, het verlangen naar een betere wereld. Het zijn maar enkele van de vele speelse elementen die als lijnen door dit mooie boek lopen. En dan is er nog de zakelijke taal, waarmee Erpenbeck verdriet zo goed weergeeft. Zoals in die laatste zin, waar ze een huilbui beschrijft: ‘en terwijl de snot uit zijn neus loopt en hij zijn tranen inslikt, zal hij zich afvragen of de merkwaardige geluiden en krampen echt alles is wat de mens is gegeven om te treuren.’