Dutrouxtje spelen

Zandvoort, deze week. Het was zo’n dag waarop je vergeet dat de wereld niet door schilders is geschapen. Een pastelkleurige mist trok het zand, de zee en de hemel samen, vaste vormen kregen er iets waterigs van.

Doe dat maar niet, dat oogt verdacht. Wij moeten niet samen in een kuil schuilen, jij onbekend kind en ik

De strandtent aan de voet van de duintrap adverteerde trots ‘362 en drie dagen per jaar geopend’; de eigenaar moet hebben gedacht dat zo’n doordenkertje de mensen het gevoel geeft dat ze het snappen, iets doorzien wat eerder niet voor de hand lag.

Op het strand lag een houten piratenschip, aan de relingen hingen kinderen. Ze droegen allemaal dezelfde gifgroene bodywarmer, ook de volwassenen. De leidsters gelijk aan de kinderen. Ondanks het doodshoofd op de vlag zag het er allemaal behoorlijk ongevaarlijk uit.

Ik dacht aan de vriendin die mij had opgebiecht dat ze vroeger ‘Dutrouxtje’ speelde, als spannende variant op het aloude ‘doktertje’. Twee klasgenootjes traden op als An en Eefje, zij zelf was de verkrachter. Het klimrek op het schoolplein diende als kelder. Toen de juf erachter kwam, kregen ze alle drie straf.

Misschien dat kinderen nu ‘Benno Elletje’ spelen.

Even later zat ik verscholen in een kuil, zodat de wind van mijn boek afbleef, toen er een jongetje bij kwam. Ik was midden in een alinea en negeerde hem. „Hoi” drong hij aan. Ik mompelde alleen wat terug, maar hij pakte mijn hand. Onder zijn neus zat een dikke koek snot. „Waar is oma?” In één oog stonden al tranen. Ik keek met hem mee, maar er was niemand die zoekend leek.

Hij ging naast me zitten, legde zijn hoofd op mijn arm. Oh nee, dacht ik, doe dat maar niet, dat oogt verdacht. Wij moeten niet samen in een kuil schuilen, jij onbekend kind en ik.

Ik herinnerde mezelf eraan dat ik geen man was. Ze zouden een vrouw zien, met een kind. Ze zouden denken dat dat een goede combinatie is, zoals zwervers en honden bij elkaar horen.

De laatste keer dat ik naar Zandvoort ging, was ik wandelen met een vriend die in de kinderopvang werkte. Dat was zijn ‘passie’, echt ‘zijn ding’. Maar na de omvangrijke zaak van Robert M. werd zijn werk hem onmogelijk gemaakt. Er werden regels opgesteld. Ouders leken hem anders te bekijken. Hij sprong alleen nog maar in het rond om vooral niet verdacht te lijken. Ik zag een gestresst hert, gevangen in fel licht, de koplampen op hem gericht zodat de rest van het woud onbekend en donker blijft.

„Ze willen me doorzien, ook al is er niets.”

Oma dook op, honderd meter verder. Ze had haar armen over elkaar, ongeduldig of ongerust.

„Dág!” zwaaide het joch. Ik durfde hem niet na te kijken, bang dat mijn blik straks als gretig werd opgevat.

Straks zijn we banger dan kinderen zelf.

Wie troost dan nog wie?