De man die Nee! bleef zeggen

Hij hield niet van mensen. Ze vonden vaak dat hij tekortschoot. Charles Bukowski (1920-1994) wordt door uitgeverij Lebowski geëerd met een Party bij de verschijning van vijf herziene vertalingen.

Charles Bukowski
Charles Bukowski foto Thomas Hoepker/Magnum/HH

Om ruchtbaarheid te geven aan de verschijning van vijf opnieuw uitgebrachte, herziene vertalingen organiseert uitgeverij Lebowski op 8 maart aanstaande een heuse Bukowski Party. Er kan, in een veronderstelde lijn met de meester zelf, kip en appelmoes gegeten worden en bier worden gedronken. De pauperdis wordt omlijst met ‘optredens en performances’.

Prachtig. Iedere poging om Charles Bukowski eer te bewijzen verdient lof. Al is het maar de vraag of je Bukowski zelf (hij stierf in 1994) een plezier zou doen met een Party: hij hield niet van artiesten, hij hield niet van feesten en, dat vooral, hij hield niet van mensen. Al houdt Auke Hulst het er in zijn voorwoord van Vrouwen op dat Bukowski eerder misogyn dan misantroop moet zijn geweest.

Op zoek naar een citaat viel me op hoe vaak Bukowski alleen al in Kind onder kannibalen het woord ‘alleen’ gebruikt. Je kunt je voorstellen wat het effect op de lezer is wanneer een schrijver schrijft over mensen die ‘alleen maar middelbare school’ hebben, ‘ik was liever alleen’, een sportploeg met ‘alleen maar slapjanussen’: het is taalgebruik waarmee de nadruk wordt gelegd op de uitzondering of de tekortkoming. Dat is meteen een van de belangrijkste thema’s van Bukowski: hij loopt voortdurend aan tegen mensen die vinden dat hij tekortschiet, dat hij niet voldoende meedoet aan het gewone leven, geen deel uit maakt van de verhalen van anderen. En nu wil men iets van hem, wil men hem bij die grote verhalen betrekken (status door geld, het geluk van ouderschap, burgerdom). Bukowski is in een ‘nee’ blijven volharden.

Is de in Duitsland geboren Bukowski niet gewoon op het verkeerde continent beland? Er spreekt een Europees sentiment uit zijn boeken. Vergelijk de openingsscènes van Bukowski’s Postkantoor en Céline’s Reis naar het einde van de nacht met elkaar: in beide gevallen worden de hoofdpersonen door een gespreksgenoot opgepookt om ergens aan deel te nemen waar ze later spijt van zullen krijgen: in Céline’s Reis is het de oorlog, in Postkantoor is het een, zogenaamd, luizenbaantje als postbode.

Bukowski’s oeuvre leest, ook in deze soepele vertalingen, als de getuigenis van een donor. In drie van de vijf titels die nu gepubliceerd zijn legde Bukowski vast voor welke ‘instituten’ hij heeft moeten bloeden: in Postkantoor is het het afstompende werk, in Kind onder kannibalen is het de vader, in Vrouwen is het de vrouw. Al moet wel meteen worden toegevoegd dat er zelden iemand grappiger bloedde dan in het geval van die laatste titel. Hoe dan ook: ‘de’ vrouw wordt er in beschreven als een vuur waar je tot vervelens toe een nieuw blok hout op moet leggen om het brandende te houden. Henry Chinaski, Bukowski’s alter ego, ziet zich in Vrouwen vanwege zijn schrijverssucces geconfronteerd met vrouwen die veel jonger en virieler zijn dan hij. En die vrouwen willen al even voortdurend seks, en het is prachtig om te lezen hoe deze ogenschijnlijk ‘gezegende’ man er zo nu en dan een parapluutje bij pakt nu de manna met bakken tegelijk uit de hemel komt.

Wanneer zijn grote liefde Lydia hem in geblesseerde toestand ergens oppikt, lezen we dit: ‘Lydia haalde me af van het vliegveld. Ze was zoals gewoonlijk geil. „Jezus christus,” zei ze, „ik ben heet! Ik masturbeer maar daar schiet ik niets mee op.” We reden naar mijn huis. „Lydia, mijn been verkeert nog steeds in een verschrikkelijke conditie. Ik weet gewoon niet of het me lukt met dat been.” „Wat?” „Het is echt waar. Ik geloof niet dat ik kan neuken met mijn been in deze toestand.” „Wat voor nut heb je dan in godsnaam?”’

Wanneer Chinaski tijdens een uitje naar het bos tegen een stel losgeslagen vrouwen aanloopt wordt er zelfs even op Euripides’ Bacchanten geleund: ‘Glendoline moet minstens meer dan een uur non-stop gepraat hebben, uitsluitend over seks. Ik begon duizelig te worden. Ze zwaaide met haar armen boven haar hoofd: „IK BEN DE WILDE VROUW VAN DE BERGEN! O WAAR IS DE MAN, DE ECHTE MAN DIE DE MOED HEEFT OM ME TE NEMEN?” Nou, hier is hij zeker niet, dacht ik.’ Als schaatsvrouwen op een tribune hoopt men Chinaski in de hierboven getoonde Caps Lock-stijl naar grotere prestaties te schreeuwen.

Bukowski heeft zich er met een bewonderenswaardige volharding en stijl een leven lang voor ingespannen, deels door te schrijven, om zijn jas tijdig uit de tandwielen van de knerpende machine te trekken. Wie zijn puberzoon ‘aan’ de literatuur wil helpen, schotele hem deze boeken voor. Céline, Hamsun en Toergenjev zullen snel volgen.