De belichaming van de Cubaanse desillusie

Huber Matos, 1918-2014

Hij was een kameraad van Castro, maar keerde de Cubaanse leider na de revolutie in 1959 de rug toe – en werd bijna geëxecuteerd.

Huber Matos, een trouwe strijdkameraad van Fidel Castro en later een van zijn grootste critici, is gisteren in Miami overleden aan een hartaanval. Hij werd 95.

Matos belichaamde de desillusie van vele Cubanen met de revolutie van 1959. Hij was een belangrijke commandant in het rebellenleger van Castro, maar nadat ze de macht hadden gekregen raakte Matos al snel verbolgen over de communistische wending van de nieuwe regering.

De voormalige leraar vervulde naar eigen zeggen een cruciale rol in de strijd van Castro tegen dictator Fulgencio Batista. In het voorjaar van 1958 landde Matos met een vliegtuig vol wapens en munitie in de bergen van de Sierra Maestra, waar Castro en zijn guerrillaleger zich schuil hielden.

„Fidel sprong op en neer van vreugde”, vertelde Matos later over de wapenlevering aan de barbudos, de bebaarde strijders. ‘Nu hebben we de oorlog eindelijk gewonnen’, juichte Fidel. ‘Met deze wapens kunnen we ze verslaan’.”

Na de overwinning op Batista werd Matos door Castro benoemd tot legercommandant van een Cubaanse provincie. Maar al snel verzuurde de vriendschap. Matos, een nationalist, had openlijke kritiek op de alliantie die de revolutionairen aangingen met de Communistische Partij van Cuba.

Bijna werd Matos geëxecuteerd. „Tegen de muur!”, riepen aanhangers van Castro toen Matos aankondigde zijn militaire functie neer te leggen uit protest de ‘marxistische wending’ van de regering. Ook Fidels broer Raúl en Che Guevara, voorstanders van de linkse koers, wilden dat hij de doodstraf kreeg, net als andere critici was overkomen.

Fidel Castro besloot dat een lange gevangenisstraf beter was, zodat Matos niet „zou veranderen in een martelaar”. Tijdens een rechtszaak in december 1959, nog geen jaar na de revolutie, werd hij tot twintig jaar cel veroordeeld voor verraad en opruiing. Het was het teken dat er onder Castro geen ruimte was voor gematigde stemmen.

De volgende twee decennia bracht Matos grotendeels in eenzame afzondering door in de beruchte gevangenis op Isla de la Juventud, waar Castro zelf nog gevangen had gezeten in de tijd van Batista.

Na zijn vrijlating in 1979 schreef Matos een boek over de verschrikkelijke omstandigheden en de herhaaldelijke martelingen die hij moest ondergaan. „Mij werd de hele tijd verteld dat ik in de gevangenis zou sterven. Ze waren heel wreed.”

Eenmaal vrij emigreerde Matos naar Venezuela, waar hij de dissidentenbeweging ‘Onafhankelijk en Democratisch Cuba’ oprichtte. Het werd een prominente anti-Castro-beweging en zou later in Matos’ nieuwe woonplaats Miami gaan opereren.

Uit vrees voor moordpogingen droeg Matos vaak een pistool bij zich. Een dag voor zijn overlijden sprak hij nog een groep aanhangers toe. Matos was een fervent voorstander van het Amerikaanse embargo tegen Cuba.

„De revolutie had niet hoeven uitlopen op een catastrofe”, zei Matos ooit in een interview. „Als Castro zou hebben gekozen voor een democratische structuur, was Cuba een geweldig land geweest.”