Amerika blijft de absolute koploper

Amerika lijkt opnieuw ten onrechte te worden afgeschreven als wereldleider. De opmars van China, waar president Obama zo bang voor lijkt, is maar tijdelijk. Dat land heeft nog heel veel in te halen.

Foto AP
Foto AP

De nieuwe wereld is niet minder verslingerd aan verval dan het oude continent. In The Myth of America’s Decline schrijft Josef Joffe: ‘Decline is as American as apple pie’. Deze Duitse auteur, in het dagelijks leven hoofdredacteur van Die Zeit maar ook als gastdocent verbonden aan de Californische Stanford University en medeoprichter van het prestigieuze tijdschrift The American Interest, toont in zijn boek hoe ongerijmd maar niettemin populair de prognose is dat Amerika door eigen falen of door de prestaties van andere naties zijn beste tijd heeft gehad.

In zijn State of the Union-speech van 2011 waarschuwde President Obama: ‘This is our generation’s Sputnik moment’. Hij wilde zeggen dat Amerika dreigt te worden ingehaald door China, zoals het eind jaren vijftig de wedloop met de Sovjet-Unie leek te verliezen. Moskou lanceerde toen de kunstmaan Spoetnik. Het leek of de Verenigde Staten op achterstand waren gezet in de ontwikkeling van rakettechnologie. De ‘missile gap’ was geboren en John F. Kennedy deed er in de verkiezingen van 1960 zijn voordeel mee.

Nadat hij was aangetreden bleek weldra dat de onheilsprognose onjuist was. Amerika was niet in verval en behield ook in de productie van intercontinentale raketten een voorsprong. Niettemin, zo laat Joffe zien, raakte de natie vervolgens ongeveer elke tien jaar in de greep van een mentale depressie over haar toekomstkansen. Eind jaren zestig dreigde Amerika verscheurd te worden door rassenrellen en publiek verzet tegen de oorlog in Vietnam. Eind jaren zeventig leek het mis te gaan als gevolg van economische malaise, de vernedering van het gegijzelde ambassadepersoneel in Teheran en de bezetting van Afghanistan door de Sovjet-Unie. En in de jaren tachtig kwam de voorspelling in zwang dat Japan binnen afzienbare tijd de Verenigde Staten in economische productie achter zich zou laten. In 1987 schreef historicus Paul Kennedy in zijn befaamde Rise and Fall of the Great Powers dat alle tekenen in de richting wezen van Amerika’s neergang als grote mogendheid.

Voorspelling

China is op dit moment, aldus Joffe, wat Japan in de jaren tachtig was. En de kans dat ook ditmaal Amerika ten onrechte als wereldleider wordt afgeschreven is volgens hem levensgroot. De voorspelling dat de Chinezen binnen enkele decennia de Verenigde Staten economisch voorbij zullen streven berust op het onhoudbare uitgangspunt dat hun decennia durende groei van jaarlijks tien procent op termijn is te handhaven. De laatste jaren is dit percentage al gedaald naar zeven, in overeenstemming met de economische wet dat naarmate het ontwikkelingsniveau stijgt de expansie van de economie afneemt.

Op dit moment neemt China zo’n tien procent van de wereldproductie voor zijn rekening, de Verenigde Staten een kwart. Bovendien kan dit Amerikaanse aandeel door 330 miljoen mensen worden verbruikt, terwijl China met 1,3 miljard zielen viermaal zoveel inwoners moet bedienen. De Chinese welvaart ligt gemiddeld op het niveau van Albanië en El Salvador. De achterstand op Amerika is gigantisch.

Joffe wijst ook op de structurele kwetsbaarheid van China: de aanstaande vergrijzing als gevolg van de éénkind-politiek, een sociale ongelijkheid die zelfs Amerika in die omvang niet kent, een grootschalige corruptie en een wijdverspreide milieuvervuiling. Nog belangrijker: de aanstormende middenklasse stelt politieke eisen die met de communistische dictatuur niet zijn te verenigen. De partijleiding kan slechts aan dilemmamanagement doen.

Toegeven aan de druk om te liberaliseren is maar in heel beperkte mate mogelijk. Als de sluizen van de ontevredenheid breken, dreigt de chaos die voor de Chinese regering een historisch trauma is. De status quo moet op de hoofdzaak, de politieke alleenheerschappij van de partij, stand houden. Maar die doelstelling roept weer het risico op van een opstand naar het model van de revolte op het Tiananmenplein in juni 1989.

En Amerika? Josse is niet blind voor de financiële, bestuurlijke en sociale problemen, maar je kunt moeilijk zeggen dat de schaduwkanten van de Amerikaanse samenleving zijn intensieve aandacht hebben. Die passen duidelijk niet in de teneur van zijn betoog. Schrijvend over Amerika is hij bovendien, meer dan in zijn analyse van China’s machtspositie, vaak de dupe van zijn zwierig gepresenteerde kwaliteiten als stilist. In zijn jacht op de pakkende zin gunt hij zichzelf nauwelijks gelegenheid voor een evenwichtige uitwerking van een bewering of een argument.

Zo schrijft hij bijvoorbeeld: ‘The American empire flies first class but pays economy’. Hij bedoelt dat het imponerende defensiearsenaal, dat Amerika in een aparte categorie plaatst, slechts vijf procent van het nationale inkomen kost. Geen vuiltje aan de lucht dus? Deze eenzijdige samenvatting, verpakt in een fraai klinkende zin, doet tekort aan de bezuinigingen die het militaire apparaat van de Verenigde Staten zich nu heeft opgelegd als gevolg van het uit de hand gelopen tekort op de overheidsbegroting.

Toptalent

Niettemin is tegen de hoofdconclusie van Joffe’s betoog weinig in te brengen. Amerika blijft in de race der naties koploper. De Verenigde Staten beschikken over een innovatieve economie die de crisis van 2008 lijkt te hebben overwonnen, een evenwichtige bevolkingsaanwas die het probleem van de vergrijzing op afstand houdt en een hooggewaardeerd universitair stelsel dat toptalent van elders aantrekt.

Die kwaliteiten zijn het fundament van een economisch arsenaal en een militair potentieel die ondanks tegenslagen vooralsnog onaantastbaar zijn. Ook al kiest president Obama na een zware economische crisis en na drie oorlogen met een onbevredigend resultaat (Afghanistan en twee in Irak) voor terughoudendheid (‘leading from behind’), van machteloosheid is geen sprake. Amerika is vooral met zichzelf bezig, maar die preoccupatie sluit niet uit dat het als regulerende mogendheid in veel kwesties en regio’s een hoofdrol blijft opeisen. Het is volgens Joffe de ‘default power’, die niet alles kan afdwingen maar waarop anderen weer terugvallen omdat zonder deze regisseur weinig mogelijk is.

Waarom is de mythe van het verval dan toch zo hardnekkig? Het antwoord van Joffe wordt te veel bepaald door een nonchalante greep uit de trukendoos van het Europese cynisme. Hij schrijft dat de terugkerende onheilsvoorspellingen een politiek instrument zijn. De waarschuwingen dat Amerika zal worden ingehaald hebben het vooropgezette doel de inspanningen te verhogen die kunnen voorkomen dat zal gebeuren wat wordt gevreesd. Met die verklaring suggereert Joffe dat de befaamde veerkracht van de Amerikaanse natie het product is van politieke manipulatie. Hij onderschat de religieuze impulsen van een authentiek elan dat de ziel bepaalt van een land dat leeft van het optimisme.

The Myth of America’s Decline laat een gemengde indruk achter. Het is een boeiende poging om de plaats van de Verenigde Staten in het huidige wereldbestel te bepalen en de wortels van het Amerikaanse doemdenken bloot te leggen. Op beide onderdelen komt Joffe met scherpe observaties. Maar doorstoten doet hij zelden. De belangrijkste oorzaak is zijn verslaving aan appeltaartzinnen: goed van smaak, maar arm aan substantie.