Niets akeliger dan slecht toneel

Regisseur Johan Simons ageerde in deze krant fel tegen een slechte recensie. De recenseert reageert. „De criticus verantwoordt zich aan zijn lezers. Zijn liefde voor de kunst mag zijn objectieve oordeel niet in de weg zitten.”

Kunst is cruciaal voor de mens en spoort aan tot fantasie en reflectie, schreef regisseur Johan Simons afgelopen zaterdag in deze krant. In zijn pleidooi over de waarde van kunst wees Simons onder meer op het gevaar dat de vrijemarkteconomie de maat der dingen wordt in de kunstpolitiek, waar politici kunstenaars stelselmatig afbranden. Duitse politici daarentegen steunen kunst onvoorwaardelijk en houden „bevlogen toespraken”.

Het was een hartenkreet en een gespierd betoog. Zulke vurige woorden had de kunstwereld in 2010 goed kunnen gebruiken, toen VVD, CDA en PVV besloten tot ingrijpende korting van de rijkssubsidie op kunst. Maar daar ging het Simons niet om. Ook niet om de dreiging van nieuwe bezuinigingen door gemeentes op cultuur, die actueel zijn door de komende gemeenteraadsverkiezingen. Simons raakte gemotiveerd na een negatieve, door mij geschreven recensie in deze krant van het door hem bij Toneelgroep Amsterdam geregisseerde Dantons dood. Daar ruimt hij de helft van zijn stuk voor in.

Simons signaleerde een directe relatie tussen een geval van „bittere beeldspraak” in die recensie en het succes waarmee de PVV volgens hem het debat over kunst „vergiftigt”. Bij meer van dit soort beeldspraak stak hij zijn „hand in het vuur” voor zijn voorspelling dat „de kunst in Nederland in geen tijd zal uitsterven”.

Simons maakt grote stappen, die een uiterste rekbaarheid van de logica vergen. Zijn constatering is dat er een oorzakelijk verband zou bestaan tussen de kunstkritiek enerzijds en de politiek en het kunstklimaat anderzijds. Hier valt een sentiment te herkennen dat vaker hoorbaar is in de kunstwereld: volgens de kunstenaar is de criticus er voor hem en moet de criticus aan zijn kant staan.

In een gesprek dat ik vorig jaar voerde met Marc van Warmerdam, directeur van toneelgroep Orkater, vroeg die het zich hardop af: waarom critici niet coulanter en positiever waren tegenover de kunst en waarom journalisten niet openlijker steun boden in de strijd tegen de forse bezuinigingen. De kunstjournalist is toch onderdeel van de kunstwereld?

Nu is Van Warmerdam een pragmatische man, met wie je goed een discussie kan voeren, maar zijn overtuiging was op een andere toon ook zichtbaar in de reacties op Simons’ brief op Twitter. Volgens Jeroen de Man van De Warme Winkel sprak Simons woorden „die inspireren in plaats van kapotmaken”. Volgens Remco van Rijn, dramaturg bij het Nationale Toneel, diende ik mij „inhoudelijk” te verantwoorden. Toneelschrijver Timen Jan Veenstra maande mij „constructief” te zijn.

Het is een misverstand dat de criticus constructief wil bijdragen, dat hij kunstenaars kapot wil maken of zich tegenover de kunstenaar moet verantwoorden. De criticus verantwoordt zich aan zijn lezers, met elke zin van zijn recensie.

De kunstcriticus kan, wil en moet geen onderdeel zijn van de kunstwereld. Zijn onafhankelijkheid is zijn eerste en laatste beginsel. Zijn liefde voor de kunst (meestal overvloedig) is door dat beginsel zijn eigen zaak, want de lezer mag erop rekenen dat te veel liefde het zo objectief mogelijke oordeel de criticus niet in de weg zit.

Dat ik kostbare herinneringen koester aan voorstellingen als La Musica Twee en Twee Stemmen, beide in de jaren negentig geregisseerd door Johan Simons, weegt mee in mijn oordeel over zijn werk, maar het maakt zijn nieuwe voorstelling er niet op voorhand beter door. Dweepzieke fanmail kan de lezer overal vinden.

Vijftien jaar geleden dachten critici daar niet anders voor. Ik heb het ze zelf gevraagd toen ik hen voor een serie in theatervakblad TM interviewde over hun vak. Gerben Hellinga (toen Vrij Nederland) zei: „Niets is akeliger dan slecht toneel. Daar moet je de mensen voor behoeden.” De door mij bewonderde Pieter Kottman (NRC Handelsblad) zei over zijn houding ten opzichte van de theaterwereld: „Het is goed dat er buitenstaanders zijn die af en toe de zweep hanteren.” In dezelfde tijd schreef hij in een recensie: „De ware tragiek is echter dat de van compassieloze en gemakzuchtige clichés aan elkaar hangende voorstelling niet in de verste verte ook maar enigszins, al is het maar een fractie van seconde een zweem van de schaduw van een glimlach opwekt.” Niemand voorzag na dit oordeel toen het einde van de kunst.

De suggestie dat critici stukken van tevoren opvragen en lezen, een werkwijze die Simons prijst bij Duitse kranten, wezen de Nederlandse critici toen van de hand. Met verwijzing naar hun functie voor de krantenlezer. „Ik ben deel van het publiek”, zei Hans Oranje (Trouw). „Als je je gaat inwerken, krijg je een voorsprong die verwarrend kan zijn.” Ook Henk van Gelder (nog altijd NRC) stelde dat hij de voorstelling op zich af wilde laten komen. „Anders zou ik mijn verbeelding afzetten tegen wat ik te zien krijg en dat is mal.”

Theater is bij uitstek een ervaringsmoment, een in enkele uren tot leven gebrachte wereld in bijzijn van publiek. In zijn roman over de toneelwereld, Hoogste tijd, laat Harry Mulisch een personage zeggen dat de schrijver de siroop levert die de regisseur moet aanlengen tot hij drinkbaar is. Kunst moet „ijskoud, demonisch en onherbergzaam” kunnen zijn, stelt Simons. Niemand is daartegen, maar laat de theaterbezoeker wel binnen in die wereld.

Simons verwoordt in zijn artikel zijn diepere bedoelingen met zijn regie van Dantons dood. Maar het gaat in de kunst uiteindelijk nooit om bedoelingen, maar om het effect. Het publiek heeft alleen te maken met het eindresultaat. Simons vergeet dat het alleen de voorstelling is die tot de theaterbezoeker spreekt.

Soms vraagt een recensent zich af waarom een toneeltekst wordt gespeeld. Van Simons mag dat niet. Büchner is voor hem boven kritiek verheven. Het is een van zijn favoriete schrijvers, schrijft hij.

Toch was dat niet de vraag die ik opwierp. Simons citeert alleen de openingszin, maar die kan niet zonder de tweede worden begrepen. Die maakt duidelijk dat de volledige vraag luidt: waarom voeren regisseurs Dantons dood op als ze er niet in slagen de betekenis van het stuk duidelijk te maken? Dat laatste is essentieel. Want iedere criticus – en theaterbezoeker – is op zoek naar die betekenis.

Natuurlijk: Büchners Woyzeck is een hoogtepunt in de toneelliteratuur. Twintig jaar geleden zag ik Woyzeck in een regie van Simons. Het was een memorabele voorstelling in een verlaten loods in Medemblik, weerbarstig en uitgesponnen, met de geniale Bert Luppes in de hoofdrol.

Nu is Woyzeck een onvoltooid gebleven tekst, en – op het gevaar af opnieuw een mij onbekend PVV-standpunt te verwoorden – dat is misschien wel de redding van het stuk. Door de fragmentarische staat is het op een moderne manier springerig en open. In Dantons dood daarentegen is Büchner mateloos. Regisseurs reageren daarop met radicale bewerkingen, maar wellicht is het stuk hun te machtig.

Misschien dat Dantons dood dezelfde impact zou kunnen hebben als Woyzeck, maar in de handvol uitvoeringen die ik ervan zag, was dat niet te zien. In 1986 schreef de toenmalige NRC-criticus Jac Heijer lovend over een uitvoering van Baal, waarbij hij meldde dat de groep de tekst tot eenvijfde had teruggebracht. Als Simons zelf de kwaliteit van Dantons dood onaantastbaar had gevonden, had hij dan voor zijn voorstelling de tekst bekort, personages geschrapt, vier vrouwenrollen door één actrice laten spelen, een cruciale rol op video opgenomen en teksten van andere auteurs toegevoegd?

Wie vragen over de houdbaarheid van toneelteksten wil verbieden, plaatst kunst in quarantaine, en doodt het debat. Dan is de kunst pas in gevaar.