‘Nachtwacht van de 16de eeuw’ naar A’dam

Lucas van Leydens ‘Het laatste oordeel’ zal voor het eerst buiten Leiden te zien zijn. Tijdens de Lakenhal-verbouwing in 2015 gaat het naar het Rijksmuseum.

Foto lakenhal

Het Laatste Oordeel van Lucas van Leyden zal voor het eerst te zien zijn buiten Leiden. Tijdens de restauratie en uitbreiding van het Leidse Museum De Lakenhal zal het wereldberoemde, driedelige altaarstuk te zien zijn in de eregalerij van het Rijksmuseum in Amsterdam. De verbouwing van de Lakenhal vindt plaats van 2015 tot 2017.

Het werk, dat wel ‘de Nachtwacht van de zestiende eeuw’ wordt genoemd, stamt uit 1527. Van Leyden schilderde het voor de Pieterskerk, in opdracht van de erven van de Leidse notabel Claes Dircks van Swieten.

Het Laatste Oordeel is het absolute topstuk van museum De Lakenhal, waar het te zien is sinds 1874. Alleen in de Tweede Wereldoorlog verliet het werk de stad. Net als de Nachtwacht van Rembrandt werden de drie panelen ondergebracht in de lege mergelgangen onder de Pietersberg in Limburg.

Geen museum kreeg het altaarstuk ooit te leen. De panelen zijn kwetsbaar, maar dat is niet de belangrijkste reden dat ze nooit reizen, zegt Lakenhal-directeur Meta Knol. „Musea vragen het werk nooit te leen, ik denk omdat ze weten dat zo’n topstuk het museum nooit mag verlaten.”

Dat het Leiden nu wel verlaat, is onderdeel van een formele samenwerkingsovereenkomst die de directeur van de Lakenhal vanmorgen ondertekende met Wim Pijbes, de directeur van het Rijksmuseum. Als dank voor de bruikleen zal het Rijksmuseum onder meer materiaaltechnisch onderzoek verrichten naar Het Laatste Oordeel. Knol: „Bij het Rijksmuseum zijn fantastische faciliteiten waarover wij als klein gemeentelijk museum niet beschikken.”

De belangrijke „pijler” onder de samenwerking zal een coulant wederzijds bruikleenverkeer zijn: beide musea zullen elkaar vaker werken uitlenen. In ruil voor Van Leydens meesterwerk, hoopt Knol „natuurlijk op langdurige bruiklenen voor onze nieuwe opstelling na voltooiing van de uitbreiding en restauratie van het museum”.

Ook op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, restauratie en tentoonstellingen zullen de musea intensiever samenwerken, zo hebben zij vastgelegd. Zo zullen beide musea gezamenlijk onderzoek verrichten naar de relatie tussen innovatie en handel in het Leiden en Amsterdam van de zeventiende eeuw. De samenwerking geldt voor vijf jaar met zicht op verlenging. De samenwerking past in het streven van beleidsmakers in Den Haag. Minister Bussemaker vroeg in een beleidsbrief van 10 juni 2013 om meer samenwerking tussen de musea. Ook de Raad voor Cultuur, die het Rijk adviseert over subsidieaanvragen, meent dat Nederlandse musea hun samenwerking moeten intensiveren.

Heeft het hier mee te maken? Knol: „Nee. De samenwerking is niet politiek maar inhoudelijk gedreven en ook al langer aan de gang. De stad Leiden vormt de bakermat van de schilderkunst van de Gouden Eeuw: schilders als Rembrandt en Lievens kwamen hier vandaan, net als Jan Steen, Jan van Goyen, Gerrit Dou en de Leidse fijnschilders. En het Rijks is natuurlijk bij uitstek het museum voor de schilderkunst van de Gouden Eeuw. Bovendien hebben we tijdens het organiseren van de Lucas-van-Leydententoonstelling in 2011 al ontdekt dat we goed met elkaar overweg kunnen. Dus ons samenwerkingsproces was al aan de gang voordat daar in Den Haag om werd gevraagd.”

Lucas van Leyden geldt als de wegbereider van de Renaissance in de Noordelijke Nederlanden. Rembrandt was een groot liefhebber van zijn werk. Hij liet zich door Van Leyden inspireren en schafte talloze van zijn prenten aan, voor in die tijd exorbitant hoge bedragen: voor één prent betaalde Rembrandt 240 gulden, wat destijds ongeveer een modaal jaarinkomen was.