Kap met dat zuinige geklap!

Bij klassieke concerten applaudisseer je achteraf, niet tussendoor. Vanwaar deze gekke conventie, vraagt Jet Berkhout zich af. Het publiek moet tot leven komen!

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron.
Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

De Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam is zo vol dat op het podium stoelen moeten worden bijgeplaatst.

De musici van vanavond zijn de drie leden van het Van Baerle Trio: jong, zeer getalenteerd en met klinkend repertoire: naast een nieuw werk van de componist Jeths spelen ze het Eerste pianotrio van Mendelssohn en het Aartshertog Trio van Beethoven.

Alles gaat zoals het hoort: lichten dimmen, geroezemoes verstomt, het trio komt op, buigt, stemt, haalt adem en zet in.

In het eerste deel van Mendelssohn klinkt drama, verstilling, grandeur, bravoure, berusting, woede, geweeklaag, bruut geweld. Het slotakkoord is de ultieme apotheose: groots, met strijkstokken die in de lucht zwiepen. Het lange geborstelde haar van de violiste zwaait om haar hoofd en de pianist veert met zijn lichaam weg van de vleugel. En dan is het stil.

Niet van verbazing, van ontroering of ontgoocheling, maar omdat het hoort. Bij een klassiek concert is de etiquette niet te applaudisseren tussen de delen. Sterker, wie nu een klapje zou wagen, een voorzichtig ‘bravo!’ zou roepen, vreze zijn leven. De zaal zal diegene in zwijgende ziede aankijken of een neerbuigend ‘sst!’ toebijten.

Daarom knijpt iedereen die net zo overweldigd is door de schoonheid van dit eerste deel als ik de billen bijeen en verstopt de handen onder zijn stoel om elke aandrang tot lof te onderdrukken.

Hoeveel logischer was het als nog in het slotakkoord, in het zwiepen en zwaaien van stokken en haren het applaus was losgebarsten, een ruis tussentijdse waardering, als een goede rondetijd tijdens het schaatsen – jullie liggen op koers! – als aanmoediging voor daarna: we trappelen om meer, zet hem op!

Zou dat niet alleen menselijker zijn, maar ook minder hinderlijk dan het krampachtig zwijgen, verstoord door immer aanwezige hoesters?

Het kan wél. November 2012 gaf het Combattimento Consort een concert in de Grote Kerk in Muiden. Na een ronkend eerste deel van Beethovens Eerste pianoconcert door pianist Paolo Giacometti barstte het publiek per ongeluk uit in applaus, waarop dirigent Jan Willem de Vriend zich grijzend omdraaide en de zaal opriep dit vooral vol te houden: in Beethovens tijd klapten ze graag na een mooie solo of een geslaagd deel. Wat volgde was een onstuimig concert met uitgelaten publiek en uitgelaten musici.

Spaarden we het misschien op in de Kleine Zaal? Hoe hard we ook klapten, ook na de prachtige toegift, het was niet vier keer zo luid of vier keer zo lang. En de ovatie leek voor sommigen een mooie gelegenheid de zaal voortijdig te verlaten – lekker snel bij de jassen en de tram.

Ik ken de regels, ik weet ook hoe superieur het voelt als je merkt dat anderen de regels niet kennen. En hoe je als musicus denkt over publiek dat spontaan klapt na het eerste deel: schattig, maar dom.

Maar als de regels in de klassieke muziek er zijn voor de elite om zich te onderscheiden, dan verliezen we uit het oog dat muziek er in de eerste plaats is om ons te raken. Daarbij sluit je onwetende liefhebbers buiten.

Als de reden om niet te klappen is omdat de delen bij elkaar horen, dan is dat een relatieve regel – hij bestond niet toen de stukken werden geschreven. Bovendien: bij opera-uitvoeringen wordt wel tussentijds geklapt en bij jazz zelfs tijdens de muziek.

Wat betreft de concentratieregel: is een ruis van applaus niet prettiger dan het gekuch in een stilte? En is spelen na applaus niet gewoon aan te leren?

Ik had het natuurlijk zelf kunnen doen. Als een vrijheidsstrijder kunnen applaudisseren na het eerste deel. Ik deed net als de rest gewoon mee aan de ijzeren conventie. Vooral omdat ik dacht dat het averechts zou werken: een gek in de zaal die zowel het trio als het publiek verstoorde. Hadden de musici zelf gezegd, zoals Jan Willem de Vriend: ga uw gang – dan was het anders geweest.

Laat alles ons ervan doordringen dat we vanavond geen cd luisteren, dat deze uitvoering eenmalig en uniek is, en laat de musici voelen dat wij er voor hen zijn en met hen meeleven.

Musici: effen ons pad. Publiek: kom tot leven. Levende muziek vraagt om levend publiek.