Kabinet verwerpt kritiek WRR

Het kabinet deelt de analyse van de WRR over de Nederlandse economie, maar minder de zorg.

Het kabinet legt belangrijke aanbevelingen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) voor zijn economisch beleid naast zich neer. In november publiceerde de WRR het rapport Naar een lerende economie. Volgens het WRR-rapport moeten economie en onderwijs grondig worden hervormd om het ‘verdienvermogen’ van Nederland in de toekomst veilig te stellen.

In een gesprek met deze krant zeggen de ministers Henk Kamp (Economische Zaken, VVD) en Jet Bussemaker (Onderwijs, PvdA) dat het kabinet de analyse van de WRR deelt, maar veel veranderingen al in gang heeft gezet. Kamp noemt met name de kritiek op het topsectorenbeleid, waarbij de politiek negen sectoren (zoals chemie, creatieve industrie en water) aanwees voor stimulering, „een vergissing”. Volgens de WRR voldoet het topsectorenbeleid niet, onder meer omdat het te weinig ruimte biedt aan innoverende nieuwkomers. Volgens Kamp draait het topsectorenbeleid pas een jaar. „Nu al zeggen dat het niet goed zou zijn, is niet serieus. De deelnemers willen vooral continuïteit.”

In een brief aan de Tweede Kamer reageert het kabinet vandaag voor het eerst op de WRR-aanbevelingen. Kamp en Bussemaker schrijven dat het rapport „een krachtig signaal is om niet achterover te leunen”, maar ook dat er „alle reden is om optimistisch te zijn over onze economische toekomst”.

Behalve de kritiek van de WRR op het topsectorenbeleid weerspreken de ministers in het gesprek met deze krant ook andere conclusies. Zo zegt Bussemaker dat het niet nodig is dat alle leraren een universitair masterdiploma hebben, zoals de WRR wil. „We hebben ook heel goede leraren met een hbo-diploma.”

Het kabinet onderschrijft wel het belang van levenslang leren, waarop de WRR de aandacht vestigt. Om zich te kunnen aanpassen aan de veranderende eisen van de economie, moeten werknemers zich constant blijven bijscholen, schrijft de raad. Bussemaker zegt dat ze zich als onderzoeker met deze problematiek al in de jaren negentig bezighield en dat het sindsdien „op sommige onderdelen slechter is geworden”. „In het hoger onderwijs is het aantal deeltijdstudenten de afgelopen tijd sterk afgenomen.”

De raad meent dat „gepaste ongerustheid” op zijn plaats is als het over de toekomst van de Nederlandse economie gaat. „De periode van min of meer vanzelfsprekende groei is ten einde.” De ministers menen dat de WRR in zijn rapport een aantal positieve ontwikkelingen over het hoofd heeft gezien. Ze zijn met name enthousiast over regionale samenwerkingsverbanden tussen universiteiten, hogescholen, het mbo en het bedrijfsleven. Bussemaker, lachend: „Het lijkt soms alsof de WRR nog een paar jaar in het verleden leeft.”

Voor werknemers zal de toekomst grote veranderingen brengen, zegt minister Kamp. Een levenlange zekerheid in plaats van levenslang leren, zit er niet meer in. „Iedereen ziet toch in zijn omgeving dat vertrouwen op een baan voor het leven niet realistisch is?” Bussemaker: „Wij moeten ervoor zorgen dat het aantrekkelijk wordt gemaakt om te blijven bewegen.”