Ook voor de kunstenaar komt eens de oude dag

Kunstpensioen De Artist Pension Trust voorziet in een financieel vangnet voor ‘later’. Wie wordt er allemaal beter van?

Het werk ‘Free Rangely’ van de Nederlandse Hadassah Emmerich is op dit moment uitgeleend aan Schunck in Heerlen.
Het werk ‘Free Rangely’ van de Nederlandse Hadassah Emmerich is op dit moment uitgeleend aan Schunck in Heerlen. Artist Pension Trust

Sinds een paar maanden staat een van de grootste verzamelingen van hedendaagse kunst in de wereld te koop. Maar liefst zo’n 10.000 werken, terug te vinden op de website van de Artist Pension Trust (APT) in New York.

Wat is dit APT? Op het eerste gezicht is het een mooi collectief model voor kunstenaars die buiten de pensioenregelingen vallen. Gedurende twintig jaar brengt een kunstenaar twintig werken in. De Artist Pension Trust slaat ze op en leent ze uit voor tentoonstellingen. Bij verkoop wordt de opbrengst gedeeld. Veertig procent gaat naar de maker, 32 procent gaat naar andere kunstenaars en APT krijgt 28 procent als ‘management fee’. Sinds 2004 is er nu door het ATP verzameld, bij ruim 2.000 aangesloten kunstenaar uit 75 landen.

In dit systeem heeft een kunstenaar pech als hij zelf mateloos populair wordt onder kunstkopers. Maar hij heeft een financieel vangnet als zijn verkopen achterblijven bij die van collega’s. Er hoeven maar een paar kunstenaars door het dak te knallen en alle andere kunstenaars zijn verzekerd van een pensioen.

Erik van Lieshout was rond 2005 één van de eerste Nederlandse kunstenaars die voor het ATP werd uitgenodigd: „Mijn vrienden zagen het nut niet. Ze verdienden al veel aan hun werken. Ik vond het een mooi socialistisch idee.”

De initiatiefnemers zijn geen slimme kunstenaars die aan hun toekomst dachten. Het idee kwam in 2002 van internetondernemer Moti Shniberg. Het beleggingsmodel is ontwikkeld door financieel expert en hoogleraar Dan Galai van de Business School van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem.

De aankondiging dat de 10.000 ATP-werken in de verkoop kwamen, bracht een schok teweeg in de kunstmarkt. Men vreesde dat de prijs van het werk van veelbelovende kunstenaars gedrukt zou worden. Maar de stukken zullen voorzichtig op de markt gebracht worden, benadrukte APT.

De totale waarde van de werken wordt geschat op 100 miljoen dollar. Of er al iets is verkocht, wil communicatiedirecteur Lidia Fabian niet zeggen. „We hebben veel aankoopverzoeken gekregen van zowel musea als particuliere verzamelaars. Later dit jaar zullen we de verkoopresultaten bekendmaken.”

In de eerste drie jaar bracht Van Lieshout veel werken in, inclusief enkele van zijn beste van dat moment, vertelt hij. Zijn film Awakening en zijn tekening van Ali H. (Adolf Hitler als een Turk) bijvoorbeeld. „Ali H. heb ik al minstens tien keer goed kunnen verkopen. Maar ik wist dat hij bij APT safe zou zijn, ik heb het hun expres gegeven.” Sinds 2008 heeft hij niets meer ingelegd. „Door de crisisjaren is het anders geworden. Ik had de verkopen van werken gewoon nodig om rond te komen”, zegt hij. „Maar ze belden niet zo lang geleden of ik wilde ophouden of toch doorgaan.” Hij gaat door.

Job Koelewijn

Net als Job Koelewijn. Hij werd drie jaar geleden uitgenodigd en sloot zich aan. „Toen heb ik drie werken ingelegd, maar sindsdien niet meer. Ze bellen me al een jaar of ik nog met een werk kom. Maar ik vergeet steeds terug te bellen.”

Een kunstenaar kan niet zomaar meedoen. Hij wordt gevraagd. Of hij meldt zich aan, maar slechts vijf procent van de aanvragers wordt toegelaten. 77 curatoren, onder wie drie Nederlanders, selecteren de kunstenaars. Zij moeten beloftevol zijn, maar nog niet een geheid succes. Door de werken die ze nog moeten inleggen en door een groei van het aantal kunstenaars, groeit de collectie tot zeker 40.000 werken. Koelewijn en Van Lieshout behoren tot de 26 Nederlandse deelnemers aan APT. Verder nemen onder meer Gabriël Lester, Melvin Moti, Christian Friedrich en Marijn van Kreij deel.

De kunstenaars zitten niet allemaal in één trust. Het APT heeft acht regionale fondsen met maximaal 250 kunstenaars, van New York tot Dubai en van Londen tot Shanghai. Er zitten Turner Prize-winnaars tussen als Jeremy Deller en Richard Wright, deelnemers aan de Biënnale van Venetië en grotere namen als Charles Avery en Yael Bartana. Musea en galeries kunnen alle werken lenen. Zo zijn uit de ATP-collectie nu twee werken van de Nederlandse Hadassah Emmerich te zien in Glaspaleis Schunck in Heerlen. Vorig jaar leende APT twee werken van Marc Bijl uit voor een expositie in het Groninger Museum. Dat uitlenen is mooi voor de kunstenaars, maar niet zonder eigenbelang voor APT: de kunstenaars krijgen zo meer naam, waarmee de waarde van hun werk kan stijgen.

Speculatie

De kosten worden voorlopig gedragen door de aandeelhouders. Een groep van onder andere kunstverzamelaars en bankiers heeft ruim 25 miljoen dollar geïnvesteerd. Zij profiteren mee van de verkopen. APT heeft vijf eigen opslagplaatsen in de wereld, in Leipzig, Londen, New York, Los Angeles en Mexico-Stad. Het organiseert zelf het beheer, de administratie en het transport van de werken.

In de kunstwereld heerst de vrees dat deze aandeelhouders speculeren door kunstenaars te hypen en hun werk vervolgens zo snel mogelijk op de markt te brengen. Zoals verzamelaar Charles Saatchi dat in hun ogen gedaan, toen hij grote parijen dankzij hemzelf zeer populaire kunst op de veiling te bracht.

„Ik vind het een mysterieus verschijnsel”, zegt galeriehouder Leylâ Akinci, die een paar kunstenaars vertegenwoordigt die zich bij APT hebben aangesloten. „Het is nog niet duidelijk wie er beter van wordt. En voor kunstenaars is het heel wat dat ze elk jaar een of meer werken moeten afstaan. Zeker als je goed begint te verkopen, is het lastig afwegen welk werk je dan inlegt. Je kunt ook zelf een reserve-inkomen aanleggen.”

Galeriehouder Fons Welters zegt „weinig zicht te hebben” op wat de Pension Trust voor zijn kunstenaars betekent. „We overleggen welk werk ze inleggen. Liefst werken die ze in oplage maken, niet unieke werken. Maar hoe het gaat als werken verkocht worden? We zullen moeten afwachten.”

Kunstenaar Van Lieshout vindt het moment van verkoop erg vroeg. „Kunstwerken hebben vaak vijftien tot twintig jaar nodig om echt waardevol te worden.”