LA heeft eigenlijk vooral overlast van de Oscars

Inwoners van Los Angeles trekken hun schouders op over de Oscars, toeristen stromen nog steeds in drommen toe.

‘Een groepje mensen dat samenkomt voor een schouderklopje.” Zo relativeerde Janet Gaynor de Academy Awards al in 1929, toen ze als eerste actrice een Oscar won. Maar de Russische toerist Boris Slivenko is nog altijd onder de indruk. Hij staat voor het Dolby Theater in Hollywood, waar zondag de filmprijzen zullen worden uitgereikt. „Ik zie dit als het centrum van de wereld”, zegt de Rus, een vijftiger in een strak zwart T-shirt. Hij zucht. „Ik ben eindelijk in het centrum van de wereld.”

De Oscars worden in Los Angeles met overgave uitgemolken. Door de gewone Angeleno wordt het filmfestijn op z’n best getolereerd; die heeft vooral last van de verkeersopstoppingen die zelfs naar Zuid-Californische begrippen indrukwekkend zijn tijdens het ‘Awards Season’, de tijd van prijsuitreikingen en gala’s. Maar de uiteindelijke ceremonie – dit jaar gepresenteerd door tv-ster Ellen DeGeneres – blijft de climax. De show wordt immers bekeken door ruim 40 miljoen Amerikanen en een paar honderd miljoen anderen wereldwijd (niemand weet precies hoeveel).

De show vormt de culminatie van het feestelijke seizoen dat eind oktober begint met de Hollywood Film Awards. Via de Golden Globes, de Screen Actors Guild Awards en een reeks andere ceremonies loopt de Oscar-koorts op tot begin maart. Een onophoudelijke reeks van borrels draagt daaraan bij. En de immer aanwezige entertainmentmedia zorgen dat niemand in LA kan vergeten dat het prijzenseizoen in volle gang is.

Zondag zal de stad bol staan van de Oscarfeestjes, waar lokale winkeliers alvast op vooruitlopen. Het Say Cheese Cafe aan Sunset Boulevard adverteert al enige tijd met speciale party platters voor Oscar-avond: kaasplankjes à 50 dollar.

Ook in de buurt van Hollywood Boulevard is de koorts voelbaar. Daar op de Walk of Fame zijn meer dan 2.500 sterren met de namen van filmsterren in de stoep gelegd. Er heerst een circusachtige sfeer met horden, vooral Chinese en Braziliaanse, toeristen die zich mengen met slecht betaalde acteurs die zijn verkleed als actiehelden, filmsterren en cartoonfiguren. Op een doordeweekse dag vechten Batman, Spider-Man, Zorro, Garfield, Captain Jack Sparrow en Marilyn Monroe om de aandacht.

„Die toeristen betalen een paar duizend dollar om deze ellende van dichtbij te zien”, fluistert een Hongaarse gids van Hollywoods Best Celebrity Tours. Hij wil verder geen oordeel vellen. „Want zonder hen zou ik niks verdienen als uitdeler van flyers.” Maar hij wijst mismoedig op het Hollywoodbord in de verte en op de zweterige massa’s die de perstribunes in aanbouw voor het Oscargala alvast fotograferen. En hij vraagt: „Is dit het beeld dat de wereld heeft van Hollywood?”

De glamour van Hollywood is in Hollywood vaak ver te zoeken, maar niet voor hen met dat welhaast magische fenomeen: access. Toegang. Overal in de stad zijn in de wintermaanden filmsterren te zien. Ze verschijnen in de beste hotels voor interviews, en op gala’s zoals de Golden Globes om gezien te worden. Net als de paparazzi duiken ze op in nachtclubs als Fargo en Avalon. Ze ‘verkopen’ in de lokale media hun films, want de duizenden stemgerechtigden voor de Oscars kunnen natuurlijk worden beïnvloed met foto’s en vraaggesprekken in de talkshows van Jimmy Kimmel en Jimmy Fallon.

Wat nog maar zelden voorkomt, is dat een ster zich ‘in het wild’ laat zien. Peter Bart observeert het met spijt in zijn stem. „In mijn tijd kon je in Beverly Hills Jimmy Stewart en Fred Astaire tegen het lijf lopen”, zegt Bart, een voormalige filmstudiobaas van Paramount die prat gaat op een unieke positie: hij is de enige journalist (voor het blad Variety) die voor de Oscars mag stemmen. „Nu verschuilen de sterren zich achter hekken en muren.”

Bart schreef onlangs een artikel waarin hij vaststelde dat Hollywood steeds meer trekjes van politiek Washington begint te vertonen. Over de sterren: „Ze willen mijn stem, en dus verdragen ze mijn gezelschap en vragen ze naar mijn kinderen.” Over de onbedwingbare neiging van álle sterren om zichzelf aan te prijzen: „Zelfs Robert Redford introduceert screenings van All Is Lost. Redford heeft een hekel aan campagnes, maar hij verliest ook niet graag.”

Bart vertelt dat eind februari de tijd is waarin „de uitputting zich meester maakt van de filmwereld”. Eigenlijk duurt het te lang en als de Oscars worden uitgereikt, heeft niemand er meer zin in, observeert hij. Maar dit jaar is anders. De genomineerden voor beste film zijn volgens Bart – en veel anderen – allemaal goed en maken allemaal kans. „Zo’n strijd zien we niet vaak. Je ziet dat de regisseurs en acteurs keihard werken voor elke stem.”