Opinie

Het was heel erg

Bij de slager moest ik wachten totdat een oude vrouw vóór mij haar bestelling had gedaan. Dat ging even duren, begreep ik, omdat zij niet meteen haar favoriete vleeswaren noemde, maar op dramatische toon zei: „Ik heb een stoma.” Daar keken de slager en ik wel even van op. Zo’n stoma is al vervelend genoeg voor jezelf, waarom zou je er ook nog eens mee te koop lopen?

„Da’s niet zo mooi”, zei de slager.

De vrouw had een spits, kwetsbaar gezicht en droeg voor haar leeftijd nogal flamboyante kleding, inclusief kleurige omslagdoek. Haar grijze haar stond stijf van de lak en haar lippen waren scherp rood gestift. De dood had nog niet gewonnen. Ze legde een hand op haar borstbeen. „Ik heb een snee van hier tot onderin mijn buik. Ik heb vier weken in het ziekenhuis gelegen en ik ben drie keer geopereerd. Voor het eerst van mijn leven kwam ik op de intensieve kèr terecht.”

„Het was heel erg”, bevestigde de vrouw die naast haar stond. Zij was jonger en onopvallender dan de oude vrouw, ze leek me een goede vriendin die bij haar op bezoek was. „Ik was bijna dood geweest”, zei de oude vrouw, „het is een wonder dat ik het op de intensieve kèr heb gered. Doe maar een kogelbiefstukje.”

„Twee ons?” vroeg de slager. „Anderhalf ons is wel genoeg in mijn toestand”, zei de vrouw, „en doe er nog een onsje ham en een onsje snijworst bij.”

De slager was vermoedelijk opgelucht dat hij zich even kon afwenden, maar het leek me niet onmogelijk dat zijn fantasie bloederig met hem op de loop ging, ook omdat hij nu zélf aan het snijden moest. Of zou zijn beroep hem juist immuun maken voor allerlei medische horrorverhalen? Dat zou betekenen dat ik destijds toch het verkeerde beroep had gekozen.

Ik had een liter erwtensoep willen meenemen, met zo’n sappige, door de slager zelf bereide gekookte worst die ik van de vegetariërs onder mijn lezers niet mag noemen, laat staan eten. Maar ik had er opeens helemaal geen zin meer in. Ik zag steeds die vrouw voor me, terwijl ze ’s avonds haar stoma zat te vullen met dat kogelbiefstukje.

Kon ik hier nog weg – met goed fatsoen? Gewoon mompelen: „Ik ben een beetje misselijk geworden?” De vrouw verstoorde mijn gedachten toen ze verongelijkt naar de slager riep: „Dan ben je 74 en dan overkomt je dát.” „Ik weet er alles van”, zei de slager. Bedoelde hij zichzelf of zou hij meer van dit soort vaste klanten hebben? In het laatste geval leek zijn beroep mij onmenselijk zwaar.

Van achteren uit de zaak riep hij: „Hoe is het nou met je dochter?” Als het een poging was om van onderwerp te veranderen, was het maar half geslaagd. „Die is helemaal doorgedraaid”, zei de oude vrouw, „ze hebben d’r in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen.”

„Ik heb haar ook al een poosje niet meer gezien”, zei de slager. „Weet je dan ook niet wat er met Sjon is gebeurd?” zei de oude vrouw. „Je zoon?” vroeg de slager. „Die zat thuis toen mijn ziekenhuis belde”, vertelde de oude vrouw. „Uw moeder is overleden, zeiden ze. Sjon begon meteen te gillen. Je kent Sjon. Die hebben ze toen ook maar in het psychiatrisch ziekenhuis opgenomen.”

„En het was nog geeneens waar”, zei de vriendin.

„Ja, ik leef nog”, zei de oude vrouw.

De slager keek vermoeid op van zijn snijblok. Het was hem te veel aan het worden – mij ook. Nog even en we waren beiden rijp voor de intensieve kèr.