Zo ziet de bij... ...en dit zien wij

De ooglenzen van bijna alle zoogdieren laten ultraviolet licht door // Dat concluderen twee Britse wetenschappers // Mensen, apen en eekhoorns zijn de uitzondering

Door pigmenten in de kegeltjes van het netvlies kunnen insecten een uv-patroon zien waar het stuifmeel zich op een bloem bevindt. Britse onderzoekers ontdekten dat ook veel zoogdieren waarschijnlijk ultraviolet licht kunnen zien.
Door pigmenten in de kegeltjes van het netvlies kunnen insecten een uv-patroon zien waar het stuifmeel zich op een bloem bevindt. Britse onderzoekers ontdekten dat ook veel zoogdieren waarschijnlijk ultraviolet licht kunnen zien. foto ANP

Katten en honden, okapi’s en egels, kleine panda’s en vliegende eekhoorns. Veel zoogdieren kunnen waarschijnlijk ultraviolet licht zien.

Dat is de verrassende conclusie van twee Britse onderzoekers, nadat ze de ooglenzen van 38 diersoorten hebben doorgemeten. De lenzen van zo’n 15 soorten lieten een groot deel van het uv-licht door. Ultraviolet licht zien, suggereren ze, is niets bijzonders. Mensen en andere apen, die helemaal geen uv-licht waarnemen, zijn de uitzondering.

Ultraviolet licht is straling met een golflengte die net iets korter is dan het voor de mens zichtbare, paarse licht. In de leerboeken staat dat maar een paar zoogdieren uv waarnemen: veel knaagdieren zoals ratten en muizen, enkele vleermuizen en buideldieren. Maar bioloog Ron Douglas en neurowetenschapper Glen Jeffery voegen daar nu een reeks dieren aan toe, in een artikel dat ze vorige week publiceerden in Proceedings of the Royal Society B.

De vele biologen die eerder concludeerden dat de meeste zoogdieren géén uv-licht kunnen zien, wezen op de pigmenten of ‘opsines’ in de kegeltjes van het netvlies. In het dierenrijk is een opsine wijdverbreid waarvan de gevoeligheid piekt in het nabije ultraviolet: rond 330 nanometer. Dat opsine is dus gespecialiseerd om uv te zien: het heet short wavelength sensitive 1 (SWS1). Het is het pigment waarmee bijen en hommels opvallende kleuren zien op bloemen die voor mensenogen wit zijn. Ook allerlei vogels, vissen en salamanders bezitten zulke pigmenten.

Dat uv-gevoelige pigment is zeldzaam onder zoogdieren. Muizen en ratten hebben het wel. In het ultraviolet kunnen ze elkaars urinesporen beter zien. Maar bij alle andere zoogdieren heeft het uv-gevoelige pigment zich in de evolutie ontwikkeld tot een variant die piekt bij blauw of violet licht: tussen 390 en 440 nanometer.

En toch zien veel van die dieren wel uv, concluderen de twee Britten. Want het ‘blauw-gevoelige’ SWS1-pigment van zoogdieren is niet totaal óngevoelig in het ultraviolet. Een groep onderzoekers, onder wie Douglas en Jeffery, ontdekte eerder dat de ogen van rendieren in het lab op ultraviolet reageren, terwijl ze geen uv-gevoelig pigment bezitten (Journal of Experimental Biology, juni 2011). Rendieren hebben dus een uv-gevoelig netvlies en – cruciaal – een lens die uv redelijk goed doorlaat (26,5 procent van het uv schijnt er doorheen).

Nu blijkt dat de lenzen van veel zoogdieren nog veel beter uv doorlaten dan die van rendieren. Bij katten en honden, de lijstaanvoerders, laat de lens 60 procent van het uv door. „Er zijn veel dieren bij die deels in het donker leven”, zegt Ron Douglas aan de telefoon. „Ze hebben er baat bij om zo veel mogelijk golflengten op te vangen.” De doorlaatbaarheid van hun ooglens is nog geen bewijs dat die dieren het uv ook waarnemen. Wat nog mist zijn metingen van de elektrische activiteit van het netvlies. „Maar op basis van de rendierexperimenten denk ik dat ze het wel degelijk zien.”

De uv-blokkerende lenzen van apen en mensen (en eekhoorns) zijn dus de uitzondering. De Britten speculeren dat zulke lenzen de beeldscherpte verbeteren: uv verstrooit sterker dan licht van andere golflengten. Juist de ogen van primaten en eekhoorns zijn ingericht op scherp zien, met kegeltjes die zeer dicht opeen gepakt staan.

Uv wél zien heeft bij de meeste dieren geen speciale functie, denkt Douglas. „We vragen toch ook niet waarom we roze of geel zien? Misschien is de enige reden dat we neigen om aan uv-gevoeligheid een speciaal belang te hechten, gewoonweg dat mensen het niet kunnen zien.”