Was broeder Andreas echt een misdadiger?

Vraagtekens bij onderzoek naar overleden jongens in Heel.

De dood van 37 meervoudig gehandicapte jongens in Huize Sint Joseph in het Limburgse Heel, begin jaren vijftig, is veel te gemakkelijk toegeschreven aan de verzorgende broeder en de inrichtingsarts. Dat concluderen de schrijvers van het boek Eerherstel voor broeder Andreas en dokter Verstraelen. Onderzoekers van justitie kozen „bij verschillende splitsingen telkens één afslag, de afslag moord”.

Het Openbaar Ministerie achtte het ruim anderhalf jaar geleden waarschijnlijker dat de sterfgevallen het gevolg waren van een misdrijf dan van een natuurlijke dood. Als de feiten niet verjaard zouden zijn en mogelijke betrokken niet overleden, was een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Centrale vragen daarbij in dat geval: maakten de afdelingsbroeder en de instellingsarts zich schuldig aan levensdelicten, onthielden ze patiënten de benodigde zorg en vervalsten ze aktes?

Tot de auteurs van het nu verschenen boek behoren onder anderen een advocaat, een huisarts en literator Ton van Reen. Jac Peeters, oud-verpleegkundige en voormalig docent aan een verpleegkundeopleiding, schreef het langste artikel. Hij vindt dat justitie zich te veel heeft laten leiden door statistiek. „Een beetje als in de zaak van Lucia de B. Ze was in de buurt, dus ze moet er wel iets mee te maken hebben.”

Volgens Peeters had het OM onvoldoende oog voor het soort jongens dat in Heel verpleegd werd en de omstandigheden waarin dat in de jaren vijftig gebeurde. „De jongens waren diep zwakzinnig. De meesten hadden ook last van lichamelijke handicaps en lagen alleen maar in bed. Oud werden ze toch niet. Dat had ook te maken met de omstandigheden: een gebrekkige hygiëne, nauwelijks een idee achter de zorg, te weinig handen aan het bed en personeel dat geen opleiding had. Bovendien waren de jongens verplaatst vanuit een inrichting in Schinnen. Daar kunnen dit soort patiënten slecht tegen. Het is mogelijk dat ze door die veranderingen voedsel zijn gaan weigeren.”

Peeters en zijn medeauteurs wijzen er ook op dat slechts van 11 van de 37 overleden jongens vaststaat dat ze verzorgd werden door broeder Andreas. Ze hebben bovendien grote twijfels of deze, zoals door justitie is aangeven, over morfine heeft kunnen beschikken en ook nog eens wist hoe hij deze moest toedienen.

„We hebben niet de illusie dat we de waarheid in pacht hebben”, zegt Peeters. „We willen laten zien dat de conclusies van justitie aanvechtbaar zijn. Zeer waarschijnlijk hadden de broeder en de arts niets met de dood van de jongens te maken.”

Ook de pers krijgt in het boek stevige verwijten. Die nam volgens de auteurs de conclusies van justitie te gemakkelijk over, deed onvoldoende eigen onderzoek en dikte zaken aan. Peeters: „Het nieuws over Heel kwam naar buiten in de hausse van berichtgeving over seksueel misbruik binnen de kerk. Daarmee werd het bijna automatisch over één kam geschoren.

Maar nemen de auteurs niet ook consequent dezelfde afslag, weg van moord? Peeters vindt van niet. „Ook wij kunnen niks helemaal voor 100 procent hard maken. Maar we hebben tegenwicht willen bieden. Ook omdat er mensen verdacht zijn gemaakt die zich niet meer konden verdedigen.”

Aanvulling (27 februari 2014): Door een fout op de redactie is in dit artikel de alinea weggevallen met de reactie van het Openbaar Ministerie. Deze reactie luidt: „Het OM ziet geen aanleiding inhoudelijk te reageren op het boek [met kritiek op justitieonderzoek naar overleden jongens in een katholiek tehuis]. Volgens justitie zijn de door de werkgroep gevraagde nuanceringen al in het onderzoekrapport uit juni 2012 benoemd en verwerkt.”