Schuif het falen van het onderwijs niet af op dyslexie

De diagnose dyslexie wordt vaak gesteld waar sprake is van didactische verwaarlozing. Het ligt dan aan de onderwijzer, volgens Peter van der Loos.

Illustratie Jiho

Om elf uur ’s ochtends belt de school op mijn mobiel. Of ik mijn zoon kan ophalen van school, hij is niet lekker. Er heerst een serene rust in het gebouw. In vrijwel alle groepen is men bezig met toetsen. Voor het lokaal van mijn zoon zitten acht jongens aan twee grote tafels. De meester leest de vragen uit de toets voor. In de klas zelf zitten de kinderen aandachtig te werken.

Op weg naar de auto vraag ik hem waarom deze acht jongens de toets niet gewoon in het lokaal maken. Mijn zoon vertelt dat er acht kinderen zijn uit de twee klassen van groep 7 die dyslectisch zijn en dat zij de toetsen maken onder begeleiding van de meester. Aan onze eettafel, waar drie kinderen graag vertellen over hun schooldag, worden wij als ouders vaak geconfronteerd met verhalen van klasgenootjes met dyslexie, autisme, ADHD en een grote variëteit aan allergieën. Zelfs een zesjarige kan haar verhaal doen over het jongetje dat vandaag zijn pilletjes niet had ingenomen en dus heel druk was: „Hij stuiterde door de klas”.

Een aantal vragen gaat door mij heen: „Is dyslexie een verschijnsel dat zich alleen bij jongens voordoet?” en „Komt dyslexie zo veel voor, acht van de 64 leerlingen?” Dankzij internet kun je als geïnteresseerde ouder een beeld krijgen van wat dyslexie nu betekent. Het komt drie keer vaker voor bij jongens dan bij meisjes. De schattingen over het aantal kinderen met dyslexie lopen uiteen met als bovengrens 4 procent van alle schoolgaande kinderen. Deze bovengrens wordt in deze twee groepen ruim overschreden en de verhouding jongens/meisjes is ook anders, maar ach, dit is een waarneming die niet geschikt is om als universele regel van kracht te laten zijn.

Het afgelopen decennium ging er veel aandacht uit naar het signaleren van problemen bij kinderen. Hele beroepsgroepen, die dagelijks werken met kinderen in de kinderopvang en het onderwijs, zijn geïnformeerd over een reeks van ziektebeelden, aandoeningen, beperkingen en gedragsproblemen bij kinderen.

Signaleren is een eerste stap op de route naar medicaliseren. Verwijzen naar een diagnostisch centrum is een logisch vervolg. Zo ben ik met bovengenoemde zoon na een gehoortest bij het Centrum voor Jeugd en Gezin doorverwezen. Bij het diagnostisch centrum werd geen gehoorprobleem vastgesteld en met de verklaring „hij zal wel verkouden zijn geweest toen de test werd afgenomen” was het vermeende gehoorprobleem afgedaan.

Er werd mij vriendelijk meegedeeld dat de meting bij het Centrum voor Jeugd en Gezin een vals positieve waarneming betrof. De reeks van signaleren, verwijzen en diagnosticeren was hiermee beëindigd.

De meest geruststellende gedachte na het lezen van verschillende artikelen rond dyslexie is dat we in Nederland de diagnose dyslexie voorbehouden aan een gekwalificeerde beroepsgroep en gelukkig geldt dit voor alle ziektebeelden, aandoeningen en beperkingen. Met de decentralisatie van de jeugdzorg krijgen de gemeenten belangrijke taken in het domein van onze jeugd. De gemeenten hebben te maken met een professionele beroepsgroep die getraind is in het signaleren, verwijzen en diagnosticeren van een waaier van aandoeningen en beperkingen.

De doelstellingen van de decentralisatie zijn te typeren in twee hoofdgroepen. Er wordt een verbetering van het stelsel nagestreefd in de vorm van een efficiënter en effectiever werkend samenstel van voorzieningen voor alle jeugdigen (bevordering van kwaliteit en vermindering van de bureaucratie). En de verdeling van de taken tussen de burgers zelf en de professionele ondersteuning krijgt een duidelijk ander accent met veel aandacht voor het ‘gewone’ opvoeden, eigen kracht en de pedagogische civil society.

Naast de eerder genoemde geruststellende gedachte dat dyslexie alleen door een gekwalificeerde beroepsgroep mag worden gediagnosticeerd, is er ook een verontrustende gedachte bij mij opgekomen na het lezen van verschillende artikelen. Een kwart van de kinderen die de basisschool verlaten, kan onvoldoende vlot en foutloos lezen. Een deel (zo’n tien procent) hiervan is functioneel analfabeet. Het percentage dyslexie wordt geschat op hooguit vier procent van alle kinderen.

Met andere woorden: het onvoldoende kunnen lezen van onze basisschoolleerlingen wordt voor een belangrijk deel verklaard door een kwaliteitsprobleem. De diagnose dyslexie wordt soms ten onrechte gesteld en er is feitelijk sprake van didactische verwaarlozing. De oorzaak hiervan is dat scholen, leerkrachten en ouders de problemen vaak in het kind zoeken en daarbij onvoldoende oog hebben voor de eigen rol.

Dat komt hard aan voor een ouder.

En nu maar aan de slag met mijn kinderen en dan als eerste het uitbannen van al die ziektebeelden, aandoeningen en beperkingen uit onze keukentafelgesprekken. Misschien dat het beëindigen van de huis- en-tuin-diagnostiek van kinderen, ouders en leerkrachten een eerste stap is in het ontmedicaliseren.