Lieve kusjes vanaf de hoge, puntige berg

Het was even schrikken, de eerste keer dat ik antwoord kreeg op een formele e-mail, gestuurd naar een Braziliaanse hoogleraar. Ik schreef ‘geachte heer’ en sloot af met een vriendelijke groet. Zijn antwoord begon met ‘lieve Floor’ en eindigde met kusjes. En paar uur later stuurde hij me een vriendschapsverzoek op Facebook.

Het ongemak duurde niet lang. Al gauw ondertekende ik mijn e-mails ook met ‘een grote omhelzing’ en na een eerste formaliteit vervolg ik nu veel conversaties met ‘lieve mevrouw’. Tutoyeren is gemeengoed. Het formele o senhor, meneer, of a senhora, mevrouw, wordt in de praktijk maar weinig gebruikt. Brazilianen noemen de president collectief bij haar voornaam.

Het informele gebruik van de taal drukt uit hoe Brazilianen zichzelf graag zien: open, warm, toegankelijk. Dat zijn veel Brazilianen ook. Het is niet uitzonderlijk te worden uitgenodigd bij iemand thuis binnen de eerste vijf minuten van een ontmoeting. In die informele houding zit ook de zorgvuldig gekoesterde wens besloten dat Brazilië een hechte eenheid vormt, terwijl de verschillen in het immense land zo enorm zijn. Juist de taal is de perfecte gids om de verscheidenheid te kunnen zien.

Brazilië is namelijk een mengelmoes van inheemse, Europese en Afrikaanse invloeden. Als kolonisator drukte Portugal een grote stempel op het land, maar ook veel Italiaanse, Duits, Japanse en zelfs Nederlandse migranten lieten er hun sporen achter. De afstammelingen van Afrikaanse slaven, al dan niet gemixt met andere bevolkingsgroepen, vormen zelfs 50 procent van de populatie.

Het toont zich allemaal in het Braziliaans. Die taal is in basis Portugees – uitgesproken op een zangerige Braziliaanse manier – aangevuld met verbasteringen uit oude inheemse talen die zich permanent in het Braziliaans nestelden. Dat is vooral goed hoorbaar in namen van flora en fauna: abacaxi (spreek uit: a-ba-ka-shi) betekent ananas, piranha is die kleine, venijnige vis die volgens angstzaaiers mensenvlees eet.

Ook de naam van de beroemde Suikerbroodberg in Rio de Janeiro is, volgens één van de overleveringen, in oorsprong inheems. Pão de Açucár zou een verbastering zijn uit de oude inheemse taal Tupi, gesproken door de Tamoios, de oorspronkelijke bewoners van de regio. ‘Pau-nh-açuquã’ betekent ‘hoge, geïsoleerde en puntige berg’. Açuquã lijkt op het Portugese woord voor suiker: açucar.

Zelfs de Nederlanders, die in de zeventiende eeuw een deel van het land koloniseerden, lieten een kleine erfenis achter. Flamengo – de naam van een grote voetbalclub en van een wijk in Rio de Janeiro – betekent Vlaams: het is vernoemd naar de eerste Nederlander (Olivier van Noort) die in 1599 probeerde de stad binnen te vallen. De Portugezen noemden Hollanders destijds Vlamingen.

Met de opkomst van Brazilië als economische (groot)macht, mondialiseert ook de taal. Zo sijpelt het Engels de laatste jaren mondjesmaat binnen. Dat gaat vooral via internet en sociale netwerken – buitenlandse films en series worden niet ondertiteld, maar nagesynchroniseerd.

De jongere generatie Brazilianen adopteert in rap tempo Engelse termen, maar spreekt deze onmiskenbaar uit op z’n Braziliaans. Facebook is feesie-boekie, meestal gereduceerd tot feesie. Ketchup is ketchoepie, een laptop een leppie-toppie. Als Brazilianen praten over bred-jie pit-jie, gaat het over de Amerikaanse acteur Brad Pitt.

Toch gaat ook deze ontwikkeling op een typisch Braziliaanse manier: tergend traag. Buitenlandse bezoekers (al dan niet van het komende WK voetbal) moeten daarom ook niet verwachten dat zij zichzelf verstaanbaar kunnen maken in een andere taal dan het Portugees. Een grote omhelzing is nog altijd makkelijker te krijgen dan een eenvoudig gesprekje in het Engels.