Opinie

Kind en dood

Overgrootmoeder was gestorven en de vraag was of twee jonge achterkleinkinderen mee konden naar de begrafenis. Jens is vier, Hidde zes. Zouden ze al dat verdriet wel aankunnen of was het verstandiger ze rustig thuis te laten? Het leek me niet zo’n gemakkelijke beslissing, maar gelukkig had ik er niets over te vertellen.

Punt was dat overgrootmoeder geen vage dame was geweest, die op grote afstand van haar familie leefde. Integendeel, ze was altijd de spil van die familie, een vitale, sociale vrouw die zich veel liet raadplegen en op alle feestjes trouw kwam opdraven - enkele weken voor haar onverwachte dood nog op Jens’ verjaardag.

Kon je nu tegenover die kinderen doen alsof ‘opoe’, zoals ze door hen genoemd werd, voortaan zomaar verdwenen was naar een land dat geen naam had? Dit in de hoop dat ze haar langzamerhand volledig zouden vergeten. Lastig, want hoe vaak kon haar naam niet plotseling opduiken in allerlei gesprekken waar de kinderen bij waren?

Dat er iets ergs met opoe was gebeurd – iets wat grote mensen ‘dood’ noemen – hadden de kinderen de volgende morgen bij het ontbijt gehoord. Jens was toen opgestaan om zijn ouders een knuffel te geven – iets waar hij op dat uur nooit eerder aanleiding toe had gezien.

Wilden de kinderen eigenlijk zelf wel naar die begrafenis? Jens knikte, Hidde vroeg of er ook veel bloed te zien was – dan liever niet. Dezelfde vraag stelde hij toen hij de kans kreeg het opgebaarde lichaam te zien. Opoe lag thuis, in haar eigen slaapkamer, er waren enkele achterkleinkinderen die om haar bed speelden alsof ook haar leven nog eventjes gewoon doorging. Jens was daar niet bij, hij hoefde opoe niet meer te zien. Hidde vroeg voor de zekerheid aan oma: „Als jij nu de ogen van opoe opendoet, dan ziet ze mij niet meer, hè?”

Toen Hidde wist dat er geen bloed zou vloeien, kon het hele gezin naar de begrafenis. Ik zag ze terug bij een katholieke rouwdienst in een fraaie, gerestaureerde kerk. Er werd goed gezongen en niet te veel gepraat. Het tempo van de handelingen lag laag, zodat het een vol uur duurde – erg lang voor kleine kinderen.

Hidde en Jens bleven er rustig onder. Ik zag hoe ze ademloos toekeken toen hun vader als een van de dragers onder de kist plechtig binnenschreed. Zó hadden ze hem en al die ooms nog nooit gezien. Best stoer. Ook daarna hebben ze zich nog een poosje stil gehouden, maar op den duur werd het bloed onrustig. Jens kuierde naar zijn grootouders op de eerste rij, Hidde begon ook aan een ommetje. Maar geen onvertogen klank, alsof ze beseften dat het niet gepast was hier lawaai te maken.

Hidde bleek zelfs goed geluisterd te hebben. Een van de sprekers had aan een vroeg overleden zoontje van opoe herinnerd. „Er was een jongetje van zeven dat dood was”, zei hij naderhand verbaasd. Iemand van zijn leeftijd! Die dood deed maar raak.

In de stoet op de begraafplaats ging Jens trots, maar niet uitbundig, naast zijn vader lopen, toen die zich weer onder de kist had geplaatst. Tot slot mochten ze rozen op de ingedaalde kist gooien.

De volgende dag legde Jens bij het ontbijt zijn hoofd op tafel en zei: „Opoe is nu dood.” Later gingen ze met hun vader terug naar het graf. Het was helemaal met zand afgedekt. Op de terugweg wilde hun vader nog langs een andere begraafplaats waar familie lag. „Nee!” riepen de jongens eensgezind. Er was genoeg begraven, het werd weer tijd om te leven.