Zelfs voor voetbalhaters wonderschoon

Vanavond begint de VPRO-serie Johan, over voetbalheld Johan Cruijff // We zien zijn vallen en opstaan, en zijn bewogen gezinsleven // Van improviserende jongeling tot ruziezoeker

Reinout Scholten van Aschat als de jonge Johan Cruijff in de nieuwe serie Johan.
Reinout Scholten van Aschat als de jonge Johan Cruijff in de nieuwe serie Johan.

‘Overal waar Cruijff verschijnt, ontstaat bonje”, stelt regisseur Pim van Hoeve. En inderdaad, in de tv-serie Johan komt de voetballer bij de hemelpoort. Hij gaat meteen in discussie met Petrus en eist dat hij terug mag naar de aarde. Ze hebben hem nodig beneden, hij is nog niet klaar: „Jouw baas heb toch ook iemand naar beneden gestuurd? Ik kan wel niet over water lopen, maar over gras kan ik aardig meekomen.” Verwijzingen naar die ándere verlosser te over. We horen zelfs een paar maten Jesus Christ Superstar. Van Hoeve: „We proberen in de serie de humor en het onnavolgbare van Cruijff te vangen.”

De discussie bij de hemelpoort is het raamwerk van de tv-serie Johan. Voor het bureau van Petrus overziet Johan zijn leven: van dun straatjochie in Betondorp tot ster bij Ajax en Barcelona, dan het mislukte Amerikaanse avontuur, het uitstapje naar Feyenoord, en uiteindelijk zijn wedergeboorte als trainer.

Cruijff nog heiliger dan koningshuis

Regisseur Pim van Hoeve maakte eerder tv-series over koningin Beatrix, prins Bernhard, Heineken en Van Gogh. Drama over Nederlandse grootheden is dus wel aan hem toevertrouwd. Het past ook in de Nederlandse tv-traditie: drama heeft hier vaak een journalistieke of historische inslag. Van Hoeve: „We dachten na Beatrix: we doen iets heel anders. We wilden van dat koningshuis weg, maar Cruijff blijkt nog heiliger dan het koningshuis.”

De serie doet denken aan Van Hoeves onverwachte hit Bernhard, Schavuit van Oranje. Van Hoeve: „Johan, Spits van Oranje? Misschien is het de losse, snelle stijl, de grote wendingen. En deze serie heeft ook veel energie. Cruijff is ook een Hollandse Held. Moedig, overmoedig misschien.”

Reinout Scholten van Aschat speelt de jonge Cruijff: de slanke, schutterende jongen die nog moet wennen aan zijn rol als voetbalgod. Dat zijn de ontroerendste scènes, waarin de verse sterrenstatus van Cruijff botst met de Amsterdamse arbeidersnuchterheid. Bracha van Doesburgh speelt zijn vrouw Danny Cruijff. Als ze met het gezin in het vliegtuig zitten naar Barcelona, waar Cruijff na Ajax gaat voetballen, kijkt ze uit het raampje en zegt: „Het ziet helemaal zwart van de mensen. Zou er wat gebeurd zijn?” Tot hun verbazing komen al die Spanjaarden op het vliegveld voor Cruijff. Danny en de kinderen worden door een zij-ingang van het vliegveld afgevoerd. Daarna volgen we niet Cruijff op zijn triomftocht, maar Danny en de kinderen, die in een vreemd Spaans appartement terechtkomen. Die blik van: tja, hier zitten we dan. Precies wat je wil van zo’n biografische serie: niet de bekende beelden van het openbare sterrenleven, maar die van het dagelijkse leven erachter; dat wat je nooit ziet.

Hij stuntelt zich erdoorheen

Cruijff als jochie, dat is wat Reinout Scholten van Aschat aansprak in de rol: „Hij debuteerde op zijn zestiende bij Ajax. Een kind nog. Juist omdat hij een jochie was, kunnen jongens zich met hem identificeren. De underdog; iedereen wilde Cruijff zijn. De Cruijff die ik speel, leeft in een spannende tijd, met abrupte, grote veranderingen. Het overkomt hem allemaal. Hij stuntelt zich erdoorheen, maar krult de bal er uiteindelijk toch in.” Net als Cruijff op het veld, gaf regisseur Van Hoeve hem op de set een vrije rol: ga maar wat uitproberen, om het improviserende van Cruijff te benaderen. Scholten van Aschat: „Cruijff komt wel altijd met van die absurde theorieën, maar als het er op aankomt, handelt hij op intuïtie.”

Scholten van Aschat droomde ervan om zelf ook alle voetbalscènes te mogen spelen: „Ik dacht: ik ga een jaar lang keihard trainen en dan ga ik ze allemaal verbazen.” Maar het kwam er niet van. De serie gebruikt gewoon archiefbeelden van de echte Cruijff: verbazingwekkende, schitterende, onnavolgbare dribbels en doelpunten van een iel mannetje met elastieke benen. Zelfs voor voetbalhaters wonderschoon.

Hij stijgt boven zijn vak uit

Ian Bok, die de oudere Cruijff speelt: „Ook voor niet-voetbalfans is Cruijff een legende. Cruijff stijgt boven zijn vak uit, zoals Rembrandt, Bruce Lee en Mohammed Ali dat ook doen.”

De Cruijff van Ian Bok is een hele andere dan die van Scholten van Aschat. Ian Bok: „Reinout speelt meer de voetballer, ik de trainer. Als trainer heeft Cruijff zichzelf opnieuw moeten uitvinden.” De jonge Cruijff is ook nog de onbevangen jongen. De oudere Cruijff is de praatjesmaker en ruziezoeker zoals we hem nu kennen. Ian Bok speelt een Cruijff die meer bezig is met zijn tong dan met zijn voeten. Bok: „Met Mohammed Ali deelt hij zijn poëtische inslag. Zijn drang om iets te zeggen is groter dan zijn controle over de taal. Daarom komen er van die prachtige Cruijffismes uit.” Bok zegt dat hij zich de rol van Cruijff heeft eigen gemaakt via het accent en de taal. „Dat is voor mij de manier om te transformeren. We zijn naar Betondorp geweest om te luisteren. Het Amsterdams dat ze daar spreken, stuitert meer dan het Jordanees.” Hoe heeft de acteur het zich eigen gemaakt? „Het is een bekstand. Dialect zit ergens tussen je gehemelte en je keel. Het is een masker dat je over je strot heen trekt.”

Ik vind hem geen lul

Cruijff heeft vaak conflicten. De ruziënde en orakelende Cruijff, zoals we hem de laatste jaren kennen, begint de virtuoze voetballer te overschaduwen. Vroeger bracht hij overal glorie, nu brengt hij overal ruzie. Van Hoeve: „Johan is wel cool, maar hij heeft spanning nodig om te presteren. Ik denk dat hij niet goed functioneert in een comfortabele wedstrijd. Hij presteert vanuit de underdogpositie.” Bok: „Ik vind hem geen lul. Hij is wel steeds meer vast komen te zitten in zijn karakter. Dat gebeurt nu eenmaal wanneer je ouder wordt. Of misschien is het de roem, al die ja-knikkers om zich heen. Maar toen ik de documentaire Nummer 14 uit 1972 bekeek, dacht ik vooral: wat een lief joch.”