We moeten hem lezen, zijn poëzie verandert je

Na een paar lessen poëzie op de middelbare school maakte ik de balans op. Eigenlijk bestonden er maar drie soorten gedichten. Allereerst had je de onbegrijpelijke verzen, die zo vaag waren dat het er haast op leek dat ze de lezer slechts wilden pesten. Dan waren er de veel te begrijpelijke verzen, waar na één keer lezen de lol meteen af was. En tenslotte was er die zeldzame categorie gedichten waar Leo Vroman er heel veel van schreef.

Teksten die je na de eerste keer snapte, maar waarbij je toch het gevoel had ze nog eens te moeten lezen. Teksten waarin de lezer telkens weer verrast werd, omdat ze naast een krachtig ritme en mooie beelden ook blijk gaven van een gezond gebrek aan respect voor de dichtkunst.

Vroman bekendste dichtregel is hier een schoolvoorbeeld van. Na de hoogverheven titel ‘Vrede’ luidt de eerste regel: „Komt een duif van honderd pond, een olijfboom in zijn klauwen…” Weg is het voorspelbare beeld van de sierlijke vredesduif. Hier flapt een moddervet stuk gevogelte door het luchtruim. Als lezer ben je meteen geamuseerd, maar ook verontrust. En in gelijktijdig amuseren en verontrusten, zelfs ontgoochelen en vervolgens ontroeren, daarin blonk Vroman uit.

In ‘De Ander’ laat hij een weduwe de kleren van haar overleden geliefde „wegsmijten”. Tegen het slot van het gedicht denkt de lezer dat de weduwe een grote schoonmaak heeft gehouden en er wel zo’n beetje overheen is. En dan valt ze in slaap, „met een arm uitgestoken / naar degene die al lang niet meer bestaat”.

Net wanneer je denkt dat je de volgende zin ziet aankomen, volgt er een onverwachte wending, die je hele blik op zowel het gedicht als op je wereld kan veranderen. Laten we daarom Leo Vroman blijven lezen, omdat anders ons bestaan, de poëzie en de vrede herhalingsoefeningen worden zonder einde.