Voor ons, Oekraïners, is Europa een ideaal

Voor ons is Europa emotie, geen regels. Europa moet op mondiale schaal gaan denken, schrijft Volodymyr Yermolenko.

illustratie daryl cagle

We zeggen vaak dat er ‘twee Oekraïnes’ zijn en hebben het er dan over hoe (on)verenigbaar die twee zijn, hoe de liefde ze naar elkaar toe trekt en het wederzijds wantrouwen ze dan weer uit elkaar drijft. Maar we signaleren veel minder vaak dat Europa ook twee gezichten heeft, die verschillende kanten op kijken en elkaar slechts zo nu en dan zien.

Er is het Europa dat een min of meer emotieloos gezicht van regels en voorschriften laat zien. Dit Europa eindigt ergens langs de grens tussen Duitsland en Polen. Daar overheerst een soort Euro-protestantisme, dat zijn geloof in de Europese beschaving heeft verloren, maar zijn gevoel voor moraliteit heeft behouden. De Europese gedachte is veranderd in een serie regels en een verzameling institutionele procedures.

Waar geen geloof meer is, krijgen regels de overhand.

Het andere Europa is spontaan en emotioneel. Het is het Europa van het geloof, het Jonge Europa, dat voornamelijk bestaat uit de landen van het voormalige socialistische blok. Voor de mensen die in deze landen wonen is Europa nog steeds een visioen, een ideaal, een utopie. Zij geloven in Europa, maar negeren heel vaak haar regels. Voor hen is Europa een soort mystieke extase, waarin zij de wettelijke normen kunnen loslaten. Tegenover het Euro-katholicisme en de Euro-orthodoxie zijn zij vervuld van geloof en bereid om voor Europa te sterven, maar niet altijd om ervoor te leven. Voor hen zijn de regels te triviaal om zich ermee bezig te houden.

Wij Oekraïners, wij zijn dat andere Europa.

Al wat is overgebleven van het geloof dat de westerse Europeanen – de Euro-protestanten – ooit hadden in de absolute waarde van Europa is een reeks regels en voorschriften. Daarom vinden zij het moeilijk om ons te begrijpen. Zij kunnen het belang niet doorgronden van het zwaaien met Europese vlaggen te midden van verhalen over de Oekraïense gloriedagen, het vuur van de revolutie en nationalistische slogans.

Zij begrijpen wel het een en ander van onze protesten, maar slagen er niet in tot de kern ervan door te dringen: voor ons is Europa emotie. Het is een ver weg gelegen ideaal waar we geloof aan hechten, een godin waarmee we ons willen verenigen, en niet een reeks regels waar de hogepriester van een afwezige godheid ons naar wil laten leven.

Europa is ook een lichtje aan het einde van een tunnel. Wanneer heb je zo'n lichtje nodig? Alleen als het overal om je heen stikdonker is. (...)

Van de Tsjechische schrijver Milan Kundera verscheen in 1983 het bekende essay The stolen West, or the tragedy of central Europe (‘Het gestolen Westen, of de tragedie van Midden-Europa’). Daarin biedt hij een bondige beschrijving van Midden-Europa als een „gecondenseerde versie van Europa zelf”, die een „maximale diversiteit omvat binnen een minimale hoeveelheid ruimte”. Kundera beweerde ook dat deze regio het „gestolen Westen” vormde: „politiek in het Oosten gelegen”, maar „cultureel” in het Westen.

Dankzij Kundera werd Europa zich bewust van het soort ideeën dat later de economische en politieke integratie van de landen van het socialistische blok in het Europese project zou gaan rechtvaardigen.

Deze ideeën waren zowel simpel als aantrekkelijk: er zijn bepaalde samenlevingen die in het Oosten lijken te liggen, terwijl ze feitelijk deel uitmaken van het Westen. Zij zijn ‘gestolen’ en moeten terugkeren naar hun rechtmatige plek. Dit proces wordt zo een soort geopolitieke schadeloosstelling. (…)

Het idee van het ‘gestolen Westen’ kan voor Midden-Europa bevrijdend zijn geweest, voor het verder naar het oosten gelegen Europa was het desastreus. In plaats van de muur tussen oost en west af te breken, werd die muur alleen maar verder naar het oosten verschoven. Het idee had gebruikt moeten worden om overal het totalitarisme te bestrijden, maar plaatste dat daarentegen geografisch in de territoria van de voormalige Sovjet-Unie, waardoor onze Oost-Europese landen permanent werden ‘vervloekt’. (…).

De Europese gedachte kan niet eenvoudigweg tot iets nationaals worden gereduceerd. Integendeel, de nationale gedachte moet worden opgetrokken naar het Europese niveau. We moeten zelfs nog verder gaan: het Europese idee moet worden opgetrokken naar een mondiaal niveau. De gebeurtenissen die zich nu voltrekken in Oekraïne moeten in de Europese Unie tot het besef leiden dat zij een mondiale missie heeft, één die eerst op het Europese continent in zijn geheel ten uitvoer moet worden gebracht.

We moeten nu veel hoger mikken dan louter het protesteren tegen (de invloed van) het Kremlin. We moeten de Europese gedachte niet alleen maar gebruiken om onze versleten nationalistische slogans te versterken. We moeten verder gaan – we moeten gaan beseffen dat onze beweging van vandaag deel uitmaakt van de wereldgeschiedenis, van de evolutie van Europa zelf.

We laten op het Maidanplein niet alleen onze kracht zien tegenover onze autoriteiten en die in het Kremlin; we openen ook een nieuwe wereld voor andere Europeanen. We laten ze zien dat de Europese gedachte zich uitstrekt tot ver voorbij de formele grenzen van de Europese Unie – net zoals dat het geval was halverwege de jaren zeventig, toen het Europa van destijds naar het gebied van de Middellandse Zee begon te kijken, of halverwege de jaren tachtig, toen het zich voor het eerst bewust werd van het bestaan van het ‘gestolen Westen’.

Dankzij de gebeurtenissen in Oekraïne moet Europa nu op een bredere mondiale schaal nadenken dan in het verleden. Europa wordt steeds meer een wereldmacht naarmate zich er steeds meer landen en naties bij aansluiten. Het Europa van het geloof en het Europa van de regels hebben elkaar nodig. Geloof zonder regels leidt tot anarchie, maar regels zonder geloof verwoesten de ziel.