Twee weken geleden schreef hij z’n laatste gedicht

Een van Nederlands grootste dichters is afgelopen weekend overleden Leo Vroman werd 98 jaar Hij was niet alleen dichter, hij was ook wetenschapper en tekenaar

Illustratie Thinkstock

Er zijn van die berichten die een mens onmogelijk kan geloven, zoals het doodsbericht van Leo Vroman, dat zaterdag uit Texas kwam. Niet omdat de dichter niet oud was, hij zou in april 99 geworden zijn, nee, omdat alles wat hij deed en schreef zo nadrukkelijk in het teken van het leven leek te staan.

Dat gold voor zijn speelse, altijd beweeglijke poëzie. Dat gold voor zijn werk als wetenschapper (de bioloog Vroman onderzocht jarenlang het stollen van bloed) en dat gold over zijn omgang met het dagelijks leven, waarin de grens tussen de bezielde en de onbezielde wereld altijd vloeiend bleef. „Hij is krankzinnig geworden”, kon Vroman vrolijk over een plant in zijn woonkamer zeggen. Of „Hij snurkt”, over een knipperend lichtje op de computermonitor in standby.

De geest van Vroman heeft de Nederlandse poëzie een van de wonderlijkste en mooiste oeuvres opgeleverd. Leo Vroman leek te dichten om de wereld naar zich toe te halen, om de dingen aan te kunnen raken, ze te proeven. Dichtend tot de laatste dag van zijn leven ging het hem erom de taal tot leven te wekken, de taal bij het leven te betrekken. Zie de beginregels van een van zijn klassieke gedichten, ‘Voor wie dit leest’, uit 1949.

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,

maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,

mijn hete hand uit dit papier niet steken;

wat kan ik doen ? Ik kan U niet bereiken.

(uit ‘Voor wie dit leest’)

Op het eerste gezicht lijkt de zachtheid in Vromans poëzie te overheersen – net als in zijn persoonlijkheid trouwens. Neem de eindeloos geciteerde regels uit zijn gedicht ‘Vrede’ uit 1957:

Kom vanavond met verhalen

hoe de oorlog is verdwenen,

en herhaal ze honderd malen:

alle malen zal ik wenen.

(uit ‘Vrede’)

Maar zo veel tranen vloeien er niet bij Vroman. De zachtheid is niet alles, want in hetzelfde gedicht meet Vroman de gruwelen van de natuurlijk niet-verdwenen oorlog breed uit, inclusief vloek:

Liefde is een stinkend wonder

van onthoofde wulpsigheden

als ik voort moet leven zonder

vrede, godverdomme, vrede;

want het scheurende geluid

waar ik van mijn lief mee scheidde

schrikt mij nu het bed nog uit

waar wij soms in dromen beiden

dat de oorlog van weleer

wederkeert op vilten voeten,

dat we, eigenlijk al niet meer

kunnend alles, toch weer moeten

liggen rennen en daarnaast

gillen in elkanders oren,

zo wanhopig dat wij haast

dromen ons te kunnen horen.

(ook uit ‘Vrede’)

Want hoe zachtmoedig en spiritueel Leo Vroman ook was, hij bleef een natuurwetenschapper, een man die toen hij na zijn tachtigste ‘psalmen’ ging schrijven, zich niet richtte tot een sturend opperwezen, maar tot het enige dat er menselijkerwijs in het universum te ontdekken viel: Systeem. En een dichter die bij al zijn liefde voor het leven, bij zijn humor en zijn vlagen van surrealisme niet altijd een vrolijke dichter was: oorlog, gemis en onbereikbaarheid hebben altijd een grote rol in zijn werk gehad.

Vroman was niet alleen zelf een bèta, zijn ouders waren dat ook. Zijn vader was een Joodse leraar natuurkunde, zijn moeder een wiskundige die zichzelf Esperanto heeft geleerd. Vroman bracht een groot deel van zijn jeugd in Gouda door met het buiten verzamelen van kleine insecten en met tekenen, deed eindexamen hbs-b (op de school die nu Scholengemeenschap Leo Vroman heet) en ging in 1932 biologie studeren in Utrecht.

Iets is heel gewoon en toch poëtisch

Daar begon hij ook poëzie te schrijven, geïnspireerd door onder anderen Greshoff, Marsman, Nijhoff en Achterberg. „Het fascinerende van die poëzie was voor mij dat iets heel gewoon kon zijn en toch poëtisch”, zou hij jaren later zeggen, daarmee en passant een kern van zijn eigen dichterschap blootleggend. Zijn eerste werk verscheen in 1935 in een studentenblad.

Kort na de Duitse inval vluchtte hij naar Nederlands-Indië, waar hij krijgsgevangen genomen werd en naar Japan werd gevoerd. „Ik had eigenlijk alles opgegeven en dat was wel lekker”, zou hij zeventig jaar later zeggen. Na de bevrijding keerde Vroman niet terug naar Nederland, mede omdat men hem dadelijk weer naar het front in de net uitgeroepen republiek Indonesië wilde sturen. Daar voelde Vroman niets voor: „Ik zei: geef me een geweer en ik schiet mijn officier dood. Ik was dat ook echt van plan.”

Sinds 1947 woonde hij in de VS

Hij vestigde zich met zijn verloofde Tineke in 1947 in de Verenigde Staten. Een jaar eerder had hij zijn eerste dichtbundel gepubliceerd, in Amsterdam: Gedichten, maar terugkeren naar Nederland zou hij nooit meer serieus overwegen. ‘Liever heimwee dan Holland’, schreef hij ooit.

De literaire doorbraak die Vroman in de Verenigde Staten nastreefde, kwam niet van de grond. Hij werd er wel een zeer succesvol hematoloog. Hij promoveerde, in Utrecht, in 1958 op het proefschrift Blood; in 1987 kreeg hij de zilveren penning van de Koninklijke Academie van Wetenschappen. Zijn constatering dat stollend bloed steeds weer nieuwe eiwitten afzet op een oppervlak, werd in 1986 op een congres tot ‘Vroman-effect’ gedoopt.

In Nederland steeg zijn ster als dichter snel; hij won vele prijzen, onder andere de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (in 1956 en 1961) en de VSB-poëzieprijs (in 1996). In 1964, nu 44 jaar geleden, kreeg hij de P.C. Hooftprijs voor zijn poëtisch oeuvre. Naast poëzie (zijn oeuvre omvat een vijftigtal bundels) schreef Vroman ook veel, vaak korte, soms surrealistische, maar ook deels autobiografische verhalen.

Vroman zou een halve eeuw in Manhattan en Brooklyn wonen, tot hij eind jaren negentig vertrok naar een ‘retirement community’ in Fort Worth in Texas.

Zijn leven daar legde hij vast in dagboeken. De oude Vroman toont zich daarin een man met een nog even jeugdig aandoende nieuwsgierigheid als decennia eerder. Hij houdt de nachtelijke bouw van een flatgebouw aan de overkant minutieus in de gaten, speelde computerspelletjes en schreef computerprogramma’s – die hij in extenso afdrukte als om te laten zien wát er allemaal poëtisch kan zijn in de wereld. Hij wond zich op over George W. Bush, toonde zich geraakt door kritiek of lakse uitgevers, maakte flauwe grapjes en verklaarde nog maar eens zijn liefde aan zijn Tineke. Hij beschreef zichzelf als de bejaarde die iedereen zou willen hopen te zijn. En wie hem bezocht, kon moeilijk anders concluderen dat hij dat ook wás.

Nee, nog niet dood

Bovendien bleef Vroman gedichten schrijven in een ongekend tempo. Zo schreef hij op zijn 92ste nog een sms-gedicht in precies 160 tekens, een zogenaamde ‘160’, die werd gepubliceerd in deze krant.

Zijn laatste bundel, Die vleugels, verscheen eind vorig jaar. Een van de laatste boeken die Vroman las, ging over hemzelf: Hoe mooi alles. Leo en Tineke Vroman, een liefde in oorlogstijd van Mirjam van Hengel. Het verschijnt op 10 april, Vromans 99ste geboortedag.

De dood was een prominent thema in de laatste gedichten; de bundel Nee, nog niet dood (2008) ontleende er zelfs zijn titel aan. Waarbij de achteloze toon kenmerkend is voor een deel van het werk, want Leo Vroman maakte zich niet veel zorgen om de dood. „We hebben allemaal dezelfde ziekte: sterfelijkheid”, zei hij twee jaar geleden. „Ik heb wel een vage nieuwsgierigheid naar de dood en naar de vraag of er iets is na dit leven, of we ons niet allemaal verkeerd hebben begrepen.”

Sinds zaterdag wordt het leven niet langer door Leo Vroman aangewezen en aangeraakt, niet meer door hem omgevormd tot poëzie. Het leven zal hem nog missen – en het leven niet alleen.