Iván Fischer zet Beethoven behoedzaam op scherp

Na 35 jaar speelde het Koninklijk Concertgebouworkest weer een Beethovenserie, anders dan voorheen verspreid over twee seizoenen. Enthousiast ontvangen uitvoeringen van de Achtste en de Negende symfonie besloten het nu al historische project onder leiding van Iván Fischer, dat in oktober op eigentijdse wijze wordt vereeuwigd in een dvd-box.

Fischer verenigde in zijn interpretaties van de overbekende Beethovensymfonieën nieuwe en oude kenmerken. Halverwege de Tweede symfonie was er een pauze. De configuratie van het orkest wisselde. Zo speelden in de Zesde symfonie ‘Pastorale’ solerende houtblazers tussen de strijkers, andere soloblazers zaten ‘als vogeltjes in het struikgewas’.

De transparantie belichtte passages die vroeger niet opvielen, zoals het samenspel tussen klarinet en twee hoorns in het derde deel van de Achtste. In de Negende stonden de vier vocale solisten ver uit elkaar op verhogingen in het orkest, wat hun bijdragen losmaakte van het koor.

Ouderwets was het ontbreken van extreme opvattingen, net als bij Haitink. Met wisselend resultaat zette Fischer Beethoven behoedzaam op scherp. De motoriek van Beethoven was niet zo ongebreideld als bij Yannick Nézet-Seguin. Fischer trok geen paralellen met latere componisten, zoals Yakov Kreizberg deed door in de Negende te verwijzen naar Mahlers hemels opstijgende Vierde symfonie.

Het Alle Menschen werden Brüder was geen bevlogen ‘vrede op aarde’, zoals bij Jansons. Het was, met soms wat eigenzinnig en ook wat wisselvallig resultaat, terug naar Beethoven binnen de grenzen van het Weense classicisme, hoezeer ook opgerekt door de revolutionair Beethoven.