Opinie

Bergsma’s desertie

Het olympische Oranje-sprookje dreigde zaterdag ruw verstoord te worden door de beslissing van schaatser Jorrit Bergsma zich terug te trekken uit de ploegenachtervolging. Er was enige paniek. Wat moest er gebeuren als een van de andere rijders geblesseerd zou raken? Wilde Bergsma dan alsnog rijden? Nee, zei Bergsma, vriendelijk maar gedecideerd in een tv-interview.

Een zware beslissing die fataal had kunnen uitpakken. Cruciale vraag: wat was er aan deze desertie voorafgegaan? We kwamen er als tv-kijker niet achter. Merkwaardig. Je wordt bedolven onder urenlange uitzendingen met tonnen achtergrondinformatie door allerlei commentatoren, maar als er écht iets gebeurt komen de rookgordijnen in werking.

Bergsma zelf toonde zich nog het meest openhartig. Hij voelde zich buitengesloten door de ploeg en ‘genaaid’. Dit laatste ook door de ploeg of door de ploegleiding? Kwam het misschien door Sven Kramer die jou geen tweede gouden medaille gunt, vroeg een tv-verslaggever. Bergsma grijnsde wat en mompelde dat het niet Kramer is die de ploeg samenstelt. Ik moest meteen denken aan het onsportieve excuus van Kramer voor zijn nederlaag tegen Bergsma op de 10 km: blessures.

Een interessant onderwerp voor de commentatoren Ritsma en Wennemars in de studio in Sotsji, zou je denken. Dat viel tegen; ze wilden er gauw vanaf. Ritsma richtte zijn blik liever op de toekomst, Wennemars veroordeelde kort de beslissing van Bergsma.

De race moest toen nog gereden worden. Toen die glorieus was afgelopen, ging er meteen een container met zand over de affaire. ’s Avonds zaten de winnaars achter de tafel van presentator Henry Schut. Van een vete met Bergsma was geen sprake, zei Sven Kramer. In de zaal zat ook Bergsma, die van de zenuwen moeizaam uit zijn woorden kwam. Nooit was duidelijk geweest of hij wel of niet mocht starten, zei hij, en er waren ook al eerder ‘probleempjes’ geweest.

Je wist toch dat je reserve zou zijn, hield Schut hem voor. „Als je me al niet tegen een verzwakt Frankrijk durft op te stellen”, reageerde Bergsma. Voor hem belangrijk omdat hij in dat geval als reserve óók een gouden medaille zou hebben gekregen. Ook Arie Koops, de coach, was aanwezig. Hij hield het bij een summiere verklaring: „Er was één focus: goud winnen met drie man.”

Mooi – maar wat had hij precies met Bergsma afgesproken? Had hij hem ooit méér voorgespiegeld dan een ondankbare plek op de achtergrond? Een invalbeurtje als reserve bijvoorbeeld? Toch niet zo vreemd als het om zo’n grote rijder gaat? Bij de Nederlandse damesploeg hadden ze dat toch ook gedaan?

Schut vroeg het Koops niet, hij had opvallend weinig trek in het onderwerp. Hij noemde het „een klein binnenbrandje” en vond dat „we het niet groter moeten maken dan het is” . Het is een houding die je vaker ziet in de sportjournalistiek en die erop gericht is reputaties hoe dan ook te beschermen. De mythe moet onaangetast blijven. Armstrong is een held, Cruijff een heilige en Muhammad Ali God zelf.

De beslissing van Bergsma was onverstandig. Het was beter geweest als hij zich eerder of na de race had teruggetrokken uit de ploeg. Maar de vraag blijft wel of hij redenen had zich buitengesloten te voelen. En er is nog een voor de hand liggende vraag die niet gesteld werd. Voor Sven Kramer: had je zaterdag in de ploegenrit nog last van de blessures die je eerder van Bergsma deden verliezen?