Die gouden medaille ga ik ein-de-lijk halen

Ineens schiet hij vol, in de catacomben van de Oval Lingotto in Turijn, vrijdag 24 februari 2006. Veertiende op de olympische tien kilometer, zijn allerlaatste race. Bart Veldkamp, dan 38 jaar, heeft iedereen netjes te woord gestaan. “Ploeteren”, “baggertijd” en “ik heb hier niets meer te zoeken”, klinkt het ouderwets met Haagse tongval. En dan

Het podium van de 10.000m: Johan Olav Koss (3), Bart Veldkamp (1) en Geir Karlstad (2).
Het podium van de 10.000m: Johan Olav Koss (3), Bart Veldkamp (1) en Geir Karlstad (2). Foto ANP

Ineens schiet hij vol, in de catacomben van de Oval Lingotto in Turijn, vrijdag 24 februari 2006. Veertiende op de olympische tien kilometer, zijn allerlaatste race.

Bart Veldkamp, dan 38 jaar, heeft iedereen netjes te woord gestaan. “Ploeteren”, “baggertijd” en “ik heb hier niets meer te zoeken”, klinkt het ouderwets met Haagse tongval. En dan dat besef. Nooit meer. “En jij bent die fles wijn kwijt”, lacht hij door zijn tranen heen tegen een verslaggever die heeft gewed op een plaats bij de beste zes. Nooit meer.

Baggertijd, fles wijn en alles wat daar tussen zat. Veldkamp maakte het allemaal mee binnen twee onvergetelijke weken in Albertville 1992. Met journalist Jacob Bergsma van het blad Sport International hield hij een olympisch dagboek bij. Zoals op 13 februari, de ochtend van zijn eerste afstand op de Spelen, de vijf kilometer. “Er schieten steeds visioenen door m’n kop: hoe ik op het podium sta en hoe ik juich. Het is stom, dat blijft terugkomen en dat mag niet.”

Veldkamp start als eerste van de favorieten, in de regen en op ‘schuurpapierijs’: 7.08,00. Niemand komt in de buurt, zelfs de Noorse topfavoriet Johan Olav Koss niet (7.11,32). Tot het weer opklaart en het ijs zichtbaar beter wordt. Geir Karlstad, Falko Zandstra, Leo Visser: allemaal sneller dan Veldkamp. Weg goud! “Ze kunnen allemaal de beres krijgen”, schrijft hij in zijn dagboek. “Al die stomme rotvisioenen die ik weer van tevoren had. Het blijkt gewoon: als ik die heb, gaat het niet goed. De laatste drie jaar heb ik op de vijf kilometer altijd bij de eerste drie gezeten en dan ben je nu gvd vijfde.”

Revanche op de tien kilometer dan maar? “Het mag niet! Het mag gewoon niet! Iedereen is zo’n beetje ziek aan het worden hier. Teringzooi. Ik zal nog eens de temperatuur opnemen. Dit kan niet… Ik heb nog steeds 37.5.” Twee dagen voor de wedstrijd, de zieke Veldkamp belt met zijn homeopathische arts Sjors in Den Haag. Het baat niet, lijkt het op wedstrijddag -1. “Het hele jaar ben ik gezond en uitgerekend nu, godnondetering, word ik ziek. Echt, van mij hoeft nu helemaal niets meer. Ik ga drie dagen in m’n nest liggen. Die sluitingsceremonie, ga ik ook niet heen. Ik voel me echt belabberd. Als ze me nu zouden neerknallen, zou ik het niet eens erg vinden. Het interesseert me geen reet.”

Een paar uur na deze notitie volgt het mirakel van Albertville. “Verslapen, gedoucht. De temperatuur na het douchen is 37.2. Dat is goed! Ik probeer morgen derde te worden, meer zal niet lukken. Loting is bekend. Vijfde rit. Achter iedereen. Perfecter kan niet. Ik voel me nog niet perfect maar de koorts is in ieder geval weg.”

Donderdag 20 februari 1992, de dag dat president De Klerk van Zuid-Afrika een referendum aankondigt over het einde van de apartheid. En op een ijsbaantje in Albertville rijdt Johann Olav Koss in eerste instantie de snelste tien kilometer: 14.14,58. Dan Veldkamp. “Ik zag dat Koss dik tevreden was. Maar ik dacht: als ik een vlakke race rijd, kan ik winst pakken op zijn schema.” En hij pakt winst, ronde voor ronde. Vijf seconden voorsprong, nog zeven rondjes te gaan. “Toen wist ik zeker: nou ga ik het halen. Daardoor gingen mijn rondetijden wat omhoog, want ja… Ha, ha, ha… Ik had voor mezelf het gevoel: die gouden medaille ga ik ein-de-lijk halen. Dat was een heerlijk gevoel.”

Over de streep: 14.12,12. Goud! Olympisch kampioen! In de armen van coach Ab Krook, en daarna meteen naar vader Hans. “Fantastisch dat hij dit mag meemaken. We hebben hier met z’n tweeën, samen met mijn moeder en mijn zus, zo naartoe geleefd.”

Veldkamp met zijn gouden medaille

Veldkamp met zijn gouden medaille. Foto ANP

Jongens waren het, maar aardige jongens. De schaatsers van de Haagse Uithof veroverden in de jaren tachtig de wereld: Jac Orie, Thomas Bos, Marnix ten Kortenaar, Ben van der Burg, Conrad Alleblas, Bart Veldkamp. Legendarische verhalen van Veldkamp, die na een verloren ‘blote-kontenwedstrijdje’ weer eens met zijn schaatsen smeet. “Ik kap ermee!” Slachtingen met zijn vriend Van der Burg, tijdens fietstochten van Den Haag naar Maastricht. Alleblas die in een gouden Eric Heiden-pak laatste werd bij een Nederlands kampioenschap. Of Marnix ten Kortenaar, die genadeloos werd afgebeuld door zijn oudere broer Jaap.

Waar de andere Haagse toptalenten het gebruikelijke Jong Oranje-traject doorliepen, trainde Veldkamp vooral met vader Hans, een oud-wielrenner die naast zijn wasserette alle vrije tijd doorbracht op de Uithof. “Dan ga je toch de overhemden strijken”, zei hij tegen zijn zoon, als die soms geen zin had om te trainen. ‘Bartsje’ werkte veel harder dan de schaatsers van Jong Oranje, de ploeg van zijn gezworen vijand coach Leen Pfrommer. In 1988 werd hij in Ottawa zelfs officieus wereldkampioen marathonschaatsen.

Coach Krook haalt de Haagse Bende in de kernploeg: Bos, Veldkamp, Van der Burg. In 1990 wordt Veldkamp Europees kampioen in Thialf. Zijn hupje in de bocht als handelsmerk. De Spelen van 1992? “Het Haagse Schaatsimperium kwam ten einde toen Bart Veldkamp goud haalde in Albertville”, schreef Van der Burg onlangs in het boek IJsmeester. “Het ultieme doel was bereikt.”

Veldkamp tijdens de wereldbekerwedstrijden in Davos, 1994

Veldkamp tijdens de wereldbekerwedstrijden in Davos, 1994. Foto ANP / Raymond Rutting

Maar de olympisch kampioen zelf ging door. Rintje Ritsma geldt als grondlegger van de commercialisering van de schaatssport, maar Veldkamp speelde in eerste instantie minstens een even belangrijke rol. Hij was in 1995 de leider van de kernploeg, die de strijd aanging met toenmalig bondsvoorzitter David Meijer. De schaatsers wilden meer geld en Gerard Kemkers als coach. Ze kregen minder geld en Wopke de Vegt. Dus vertrok Veldkamp naar België. Als ‘schaatsbelg’ was hij meteen af van alle kwalificatie-rompslomp en knellende reclameregels. Hij begon een internationale ploeg, met Russen en Canadezen.

Hoogte- en dieptepunten blijven er in overvloed. Zoals het onvergetelijke EK van 2001 op de buitenbaan van Baselga di Pine. De sprint ouderwets verprutst, het vertrouwde gegooi en gevloek. Oppermachtig op de vijf kilometer, een regelmatige 1.500 meter. Toch nog kansen op een podiumplaats? Zijn achterstand op Ids Postma en Dmitri Sjepel bedraagt meer dan dertig seconden. Op de slotafstand presteert Veldkamp bijna het onmogelijke. Het publiek staat op de banken, hij komt slechts een seconde tekort. Wereldprestatie. Om een jaar later zwaar overtraind zichzelf teleur te stellen op de Spelen van Salt Lake City. “Ik kap ermee”, klinkt het uiteraard. Maar ‘gewoon’ nog vier jaar doorgaan tot Turijn.

Na zijn carrière als schaatser wordt Veldkamp trainer in Amerika, bij de TVM-ploeg en nu van Team Stressless rond de Belg Bart Swings. “Maar alles blijft onvergelijkbaar met het enorm zelfbevredigende gevoel van het rijden van een goede bocht”, sprak hij in 2008. “Als je stopt en je blijft dat zoeken, dan zoek je de dood. Dat komt nooit meer terug.”