Zo weinig kennis over ritalingebruik is ontoelaatbaar

Kinderen en adolescenten met ADHD zijn te kwetsbaar om alleen aan medicatie over te laten, vindt Geurt van de Glind.

Er is opnieuw consternatie over ADHD en het gebruik van ritalin ontstaan, nu naar aanleiding van het ‘ritalinexperiment’ van onder anderen denker des vaderlands René Gude en programmamaker Arie Boomsma. Zij gebruikten onlangs één dag ritalin en bespraken hun ervaringen in De Wereld Draait Door en NRC Next. Een golf van, veelal verontwaardigde, reacties volgde.

Maar veel vragen bleven onbeantwoord. Hoeveel kinderen krijgen nu daadwerkelijk medicatie? Is er goed onderzoek naar de langetermijneffecten van medicatie gedaan? En kunnen we hun niet iets anders dan medicatie geven?

Ik juich de discussie over ADHD en de voorgeschreven medicatie overigens van harte toe. De afgelopen jaren steeg het aantal personen dat ADHD-medicatie voorgeschreven krijgt scherp, zonder dat zij aan de DSM-criteria voor ADHD voldoen. Dat verdient nader onderzoek, maar vreemd genoeg vindt dat niet plaats.

ADHD is de meest voorkomende stoornis bij kinderen en adolescenten. In Nederland lijdt bijna drie procent van de mensen tussen de nul en twintig jaar aan ADHD, volgens de Nemesis-2 studie aan ADHD: 113.100 kinderen en tieners in 2009. In de media is echter steevast sprake van een veelvoud aan mensen die pillen tegen ADHD zouden slikken. (Arie Boomsma in DWDD: „Bijna een miljoen Nederlanders krijgt ADHD-medicatie voorgeschreven”.)

De vraag luidt dus: Hoeveel kinderen krijgen nu daadwerkelijk op doktersvoorschrift ADHD-medicatie voorgeschreven? En is dat terecht? En hoeveel kinderen die wel behandeling moeten krijgen, ontberen die nu?

Die kennis missen we en dat is ontoelaatbaar. Want het gaat om een kwetsbare groep kinderen. In vergelijking met kinderen zonder ADHD immers, blijven kinderen met ADHD vaker zitten, gaan ze vaker van school zonder diploma en stromen ze minder vaak door naar hoger onderwijs. En zijn ze eenmaal volwassen, dan zijn ze vaker ziek, worden ze sneller ontslagen, veroorzaken ze meer verkeersongelukken, lopen hun relaties vaker op de klippen en zijn ze vaker bij criminaliteit betrokken.

Daarbij, kinderen met ADHD lopen grote kans verslaafd te raken. Uit een recente meta-analyse, waarbij 29 studies met in totaal meer dan zesduizend verslaafden werden samengevoegd, bleek dat 23 procent van hen ook ADHD heeft. (van Emmerik- van Oortmerssen et al., 2012)

We kunnen dus vaststellen dat het met veel ADHD’ers op de lange termijn niet goed gaat. Van de 120.000 kinderen en adolescenten met ADHD houden 40.000 van hen last van de symptomen; met nog eens 40.000 gaat het ronduit slecht. En met slechts 40.000 gaat op de lange termijn goed.

Tegelijk moeten we vaststellen dat effectieve behandelingen, anders dan medicatie, ontbreken. Jammer is dat in discussies rondom ADHD-medicatie een ander, mogelijk belangrijker, probleem onderbelicht raakt: het ontbreken van effectieve behandelingen, anders dan medicatie. Van medicatie als ritalin en andere stimulantia weten we eigenlijk alleen dat ze de symptomen op korte termijn reduceren. Daarentegen is het tot nu toe gepresenteerde onderzoek naar de langetermijneffecten methodologisch ontoereikend – te ontoereikend om uitspraken te kunnen doen. Ook hier hebben we dus geen kennis over de juiste behandeling van ADHD.

Jongeren verdienen het om optimaal aan een ‘volwassen leven’ te beginnen, voorbereid op de eisen van een complexe samenleving die hoge eisen stelt. Ik pleit daarom voor een nationaal actie- en onderzoeksprogramma gericht op kinderen en adolescenten met ADHD. Zo’n programma zou zich onder meer moeten focussen op de vraag hoe de negatieve gevolgen van ADHD kunnen worden omgebogen naar positieve. Wat zijn hun talenten en mogelijkheden?

Het programma zou aard en omvang van over- én onderdiagnostiek van ADHD moeten vaststellen; genetische factoren en de invloed van de samenleving moeten onderzoeken; risicoprofielen voor kinderen moeten ontwikkelen; handvatten moeten aanreiken, niet alleen aan ADHD’ers maar ook aan hun ouders en onderwijzers.

Ook moet de uit 2005 (!) stammende richtlijn Diagnostiek en Behandeling van ADHD bij kinderen en jeugdigen worden vernieuwd en moet de manier waarop het onderwijs ‘zorg op maat’ biedt aan kinderen en adolescenten met ADHD worden onderzocht – en waar nodig verbeterd.

Een dergelijk programma kost miljoenen. Die investering zal echter al op de middellange termijn zijn vruchten afwerpen. Het moet mogelijk zijn om ervoor te zorgen dat het met dubbel zoveel ADHD’ers goed gaat; met 80.000 in plaats van 40.000. Voor de overige 40.000 zouden we betere behandelingen en begeleiding moeten hebben. Overheid, bedrijfsleven en maatschappij zouden een gezamenlijke inspanning moeten leveren om zo een actie- en onderzoeksprogramma te financieren.

Hebben we dat over voor deze kwetsbare jongeren?