Waarom ik WhatsApp van m’n iPhone gooide

WhatsApp is verdwenen van mijn iPhone, weggegooid op donderdagochtend. Dat wordt sms-en vanaf nu, hetgeen overigens tussen Apple-gebruikers al gratis was en eigenlijk wel zo handig. Toch? De kans is groot dat de app volgende week weer dubbelhartig is teruggeplaatst. Veel sociaal verkeer en werkverkeer vindt al via WhatsApp plaats. Wat als je iets misloopt?

Waarom dan toch die reflex, toen bekend werd dat Facebook WhatsApp overneemt voor een bedrag van 19 miljard dollar? Het heeft, in dit geval, te maken met een intuïtieve neiging om de macht te verdelen tussen de internetgiganten. Wil ik dat Facebook nu via WhatsApp ook nog mijn telefoonnummer krijgt? En dat van alle vrienden en relaties?

Die poging tot machtsverdeling gaat klunzig en inconsequent, maar toch: opzoeken doe je met Google, maar dan wel op de Apple-browser Safari. Sociaal ga je met Facebook, niet met Google+, want dat zou te veel worden. Berichten sturen doe (deed) je met Whatsapp. Je besturingssysteem op computer en telefoon is van Apple, dus met Apple ga je niet ook nog eens mailen: dat doe je dan weer met Google. Op het werk heerst Microsoft. Dat werkt natuurlijk niet: op de iPhone zijn intussen alle mails van verschillende aanbieders al door elkaar geroerd in een gebonden soep. Dat geldt waarschijnlijk ook voor de verschillende clouds, waarop het overzicht eerlijk gezegd al is verdwenen.

Het gebruiken van een toepassing buiten het oligopolie van Microsoft, Apple, Google en Facebook voelt goed. Het is dan frustrerend als die nieuwkomer toch wordt opgeslokt door één van de vier. Dat gebeurt met grote regelmaat. Facebooks vorige hapje van dit soort was Instagram. Google kocht, onder vele andere, Youtube.

De parallel met de internethausse is al terecht getrokken. Bedrijven gaan naar de beurs. Hun aandelen krijgen daar een gigantische waarde. En die aandelen fungeren vervolgens als ‘currency’, als valuta, voor de overname van anderen. Waardoor de waarde verder stijgt.

De Dow Jones-index voor internetaandelen op Wall Street stond gisteren op 282,5 punten. Dat is even hoog als in november 1999 – vier maanden voor het hoogtepunt van 446,6, waarna de zaak instortte. In de afgelopen vijf jaar is de index al weer meer dan verviervoudigd. De gemiddelde koers-winstverhouding van internetaandelen is nu een, best wel absurde, 80,5. Dat was eind september vorig jaar nog 47 en eind maart 39. En dat was al hoog.

De reacties op de overname van WhatsApp viel deze week in twee delen uiteen. Het ene kamp ziet niet hoe de enorme beurswaardering ooit kan worden gerechtvaardigd. Gekte, net als tijdens de dotcomhausse.

Het andere kamp bezingt de ongekende mogelijkheden van de internetreuzen en ziet de huidige beurswaarderingen (een koers-winstverhouding van 106 voor Facebook) als een terechte voorbode van een gouden toekomst.

Er is een minder complimenteuze uitleg: monopolistische winsten. Vier (en eigenlijk drie als je Microsoft niet meerekent) molochs heersen straks in een oligopolie. Zij expanderen in een self fullfilling prophecy van stijgende aandelenkoersen en overnames van alles wat bedreigend en veelbelovend is. Want misschien is het principe dat er altijd wel weer een nieuwkomer zal zijn die de machthebbers van de troon stoot nu wel verouderd. Google kocht onlangs nog bedrijven in robots, kunstmatige intelligentie en zette zijn zinnen op Tesla, de fabrikant van elektrische auto’s.

De Lex Luthor-isatie wordt het al genoemd, naar de machtige, geleerde monopolist in het Metropolis van Superman.

Ja, het wordt vast een prachtige wereld straks. Maar niet als die, om Henry Ford te spreken, leverbaar wordt in elke kleur – zolang het maar zwart is.