Voetbaljaren

Fictie

Elke week op deze plek een fictieverhaal. Deze week: een jeugdherinnering van Victor, van het voetbalveld – toen zijn vader er nog wél bij was. Uit de vader-zoonroman

Bloemkool uit Tsjernobyl

, het debuut van Roman Helinski.

H oe goed was ik als jonge voetballer? Ik scoorde regelmatig. Misschien ontstond daardoor ten onrechte de indruk dat ik er wat van kon. Of kwam het doordat mijn vader mijn spel ophemelde? Toen ik nog heel klein was, ontdekte hij mijn talent, en hij stond erop dat ik op voetbal ging, al was ik daar een jaar te jong voor. Hij kreeg de plaatselijke club zover dat ik toch werd toegelaten.

In al mijn voetbaljaren miste mijn vader, ondanks zijn vele congressen, weinig thuiswedstrijden, en zelfs wanneer we in een uithoek van de provincie speelden, op een veld dat niet aan de goede afmetingen voldeed en waar ook nog eens gaten in de netten zaten, was hij erbij. In zijn overall verscheen hij langs de lijn en als het kouder werd, droeg hij eroverheen een felrode bodywarmer die elk jaar fletser werd, maar waarin geen gat of slijtplek kwam. Altijd droeg hij zijn legergroene laarzen. Na afloop kon je zien waar op de tribune hij had gezeten, omdat daar vertrapte modder was achtergebleven. Regelmatig kwam hij pas na een minuut of twintig aangewandeld en floot dan even op zijn vingers om me te laten weten dat hij er was.

Hoewel hij hield van gezelschap, ging hij meestal alleen zitten. ‘Ik kom voor de sport’, zei hij dan. Dat was niet helemaal waar. Als hij er een keertje vroeg was, dronk hij in de kantine jonge jenevers. In de andere gevallen deed hij dit tijdens de rust. Zo vroeg in de middag was hij meestal de enige afnemer, maar dat maakte hem niets uit.

Als ik scoorde, floot hij scherp op zijn vingers. Daar bleef het bij. Wel gaf hij vaak hetzelfde commentaar. ‘Je moet meer om de bal vragen. Je doet er altijd wat goeds mee. Je moet hem opeisen.’ Hij zei nog iets wat me heel gelukkig maakte: ‘Je trainer vertelde dat hij het liefst elf Victors opstelt.’

Ik was gelukkig als mijn vader over mijn voetbalkwaliteiten sprak, omdat ik dan voelde hoezeer ik ertoe deed voor hem. Ik wist best dat hij van me hield, vaders houden onvoorwaardelijk van hun zoon. Maar hij was zo druk dat ik vreesde dat hij dat op een dag zou vergeten.

In al die jaren vertelde hij een keer iets wat ik bijna niet kon geloven. Toen Ajax een wedstrijd in Limburg speelde, gingen we er samen heen. Het was een ijzige avond, de grasmat lag vol sneeuw. Vrijwilligers deden hun best het veld speelklaar te maken, terwijl wij op de tribune zaten te wachten. Het gerucht ging dat de wedstrijd best eens afgelast zou kunnen worden. Uiteindelijk gebeurde dat ook, en het stadion stroomde leeg, terwijl ik me enorm had verheugd Ajax een keer in het echt te zien voetballen. Ik mopperde op mijn vader alsof hij er iets aan kon doen en ondertussen keek ik naar mijn voeten, omdat er zo veel mensen waren dat ik bang was op iemands tenen te gaan staan. Plotseling was mijn vader weg. Overal zag ik mannen, maar nergens mijn vader. Ik zocht zijn blik die me gerust zou stellen, maar ik vond hem niet, en de stroom mensen voerde me mee, dreef me bij hem vandaan totdat ik op de straat stond voor het stadion. Politieagenten zaten op paarden, overal waren mannen, in de verte klonk dreigend supportersgezang, en ik wilde weg. Mijn vader zoeken. Ik dacht me te herinneren waar hij de auto had geparkeerd, maar ik vergiste me: ik vond onze auto niet terug. Ik dwaalde rond, minstens een uur, en toen werd ik gevonden. Mijn vader sprong uit een politiewagen en omhelsde me zonder wat te zeggen. Waarom zei hij niet gewoon dat hij blij was me weer te zien? In plaats daarvan bleef hij stil.

Toen we van de schrik waren bekomen, bromde hij: ‘Zeg dit maar niet tegen je moeder.’ Onderweg naar huis vertelde hij over de zoektocht door agenten, dat hij op het dak van een politiebus was geklommen en de longen uit zijn lijf had geschreeuwd. Daarna was mijn naam ook omgeroepen via de stadionspeaker, over het hele plein galmden mijn voor- en achternaam, zoals de namen van de voetballers voor de wedstrijd door het stadion worden geschreeuwd.

‘Ik keek toen je naam klonk naar de Ajax-bus’, zei mijn vader. ‘En ik zag de spelers luisteren. Voorin zat Louis van Gaal. Hij heeft je naam gehoord, Victor. Over enkele jaren maak je een belangrijk doelpunt en dan zal hij denken: die naam heb ik in Limburg al eens gehoord, op die heel koude avond toen het veld vol sneeuw lag.’

Ik lachte erom alsof het een grapje was. Ik lachte er zo hard om dat mijn vader geïrriteerd raakte. Hij bleef volhouden dat het echt was gebeurd, zoals hij ook vol bleef houden dat ik een voetballer was met dezelfde buitengewone kwaliteiten als mijn opa. Kwaliteiten die hijzelf ook bezat, maar die waren er nooit uitgekomen.