Op de fles met fraude

Het kabinet wil faillissementsfraude hard aanpakken. Dan is wel meer geld, kennis en samenwerking nodig.

Een eigenaar van een installatiebedrijf kreeg kort voor het faillissement flinke bedragen uitgekeerd van zijn eigen onderneming. Een duidelijk geval van fraude, dacht curator Louis Deterink uit Eindhoven. „Mijn medewerker deed aangifte bij de politie, het hele dossier netjes erbij”, vertelt Deterink. „Een tijdje later kreeg niet die eigenaar, maar mijn medewerker een uitnodiging voor een verhoor – als verdachte.”

De kennis van faillissementsfraude bij de lokale politie is bedroevend, wil Deterink maar zeggen. „Zeker kleine zaken worden gewoon niet opgepikt.”

Terwijl de economische schade van de fraude groot is. Volgens een schatting van hoogleraar faillissementsfraude Tineke Hilverda is bij een kwart tot eenderde van alle faillissementen in Nederland (vorig jaar 12.300) fraude in het spel. De jaarlijkse schade voor schuldeisers is geraamd op ten minste 1,5 miljard euro. Het zwaarst gedupeerd is de Belastingdienst – dus uiteindelijk de belastingbetaler.

„De maatschappelijke schade is nog groter”, zegt forensisch accountant Jeanette Brouwer. „Door de vele faillissementen daalt het consumentenvertrouwen, verstrekken banken minder leningen aan bedrijven en verdwijnt innovatie over de grens. Het werkt echt ontwrichtend.”

Harde aanpak

Er zijn professionele fraudeurs die bv’s oprichten om geld of goederen weg te sluizen en de bv’s dan failliet laten gaan. En er zijn ondernemers die via een faillissement op een goedkope manier van hun schulden en personeel af willen komen. Het aantal fraudezaken dat strafrechtelijk wordt vervolgd, zou nog geen 2 procent bedragen.

Het kabinet wil fraudeurs harder aanpakken. Minister Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) heeft onlangs een wetsvoorstel voor advies naar de Raad van State gestuurd. Wie een bedrijf met opzet in financiële nood brengt of de administratie rond een faillissement verzaakt, kan volgens het voorstel twee jaar cel krijgen. Wie zichzelf daarbij verrijkt, riskeert vier jaar cel.

De maatregelen zijn onderdeel van een bredere hervorming van het faillissementsrecht. Veroordeelde fraudeurs mogen ook vijf jaar lang geen bedrijf meer leiden. En curatoren worden verplicht om vermoedens van fraude te melden. „De meldplicht is een stap in de goede richting omdat de schade groot is”, vindt Deterink. „Maar veel curatoren zijn niet blij met deze extra taak. Ze zien opsporing als een taak van het Openbaar Ministerie.”

Het probleem is dat niemand faillissementsfraude echt als zijn verantwoordelijkheid beschouwt, zegt accountant Brouwer. „De curator wikkelt het faillissement af en ziet zichzelf meer als belangenbehartiger van de schuldeisers dan als opsporingsambtenaar. De rechter-commissaris, die de curator aanstelt, kijkt of alles netjes gaat. De fiscus is vaak de grootste schuldeiser en die wil bedrijven niet overhaast een faillissement injagen door beslag te leggen. Het OM en de politie vinden dat partijen faillissementsfraude vooral voor de civiele rechter moeten uitvechten.”

Ten onrechte, zegt curator Ben Knüppe van de DSB Bank, die in 2009 failliet ging. „De echte slechteriken hebben hun zaakjes wel zó voor elkaar dat ze geen eigendommen op hun naam hebben staan. Dan ben je civielrechtelijk al snel klaar en moet de strafrechter eraan te pas komen.”

Afschrikwekkend effect

Volgens curator Deterink is geld het grootste probleem bij de aanpak. Bij 80 procent van de faillissementen zijn er geen bezittingen meer en is de boedel leeg, zegt hij. Zit er nog wel geld in een bedrijf, dan mag de bank buiten de curator om onderpand opeisen als schuldeiser. Deterink: „Als er dan nog geld over is om het salaris van de curator uit te betalen, blijft er daarna vaak weinig over voor de schuldeisers, laat staan voor onderzoek naar fraude.”

„De fiscale opsporingsdienst FIOD en het OM betalen hun mensen netjes voor onderzoek”, schetst curator Knüppe. „Voor een curator is het altijd maar afwachten of hij uitbetaald wordt.”

De curator mag het ministerie van Veiligheid en Justitie wel vragen garant te staan voor de kosten van onderzoek, maar alleen als hij een rechtszaak begint tegen de bestuurders van de failliete onderneming – en daar is éérst onderzoek voor nodig. „Justitie moet de regels voor die garantstelling verruimen”, vindt Deterink.

Accountant Brouwer gaat een stap verder. Zij vindt dat het OM en curatoren nauw moeten samenwerken. Het OM zou curatoren geld moeten geven om onderzoek te kunnen doen. „Het rapport van de curator kun je inbrengen in een strafzaak, waarna het OM de schade kan verhalen op de fraudeurs. De kosten verdienen zich zo terug. Want de Belastingdienst en andere schuldeisers krijgen alsnog hun geld – nog los van de afschrikkende werking die een effectieve fraudeaanpak heeft.”

Curator Willem Jan van Andel ziet als enige oplossing dat de overheid meer geld steekt in de FIOD of in de opleiding van fraudeofficieren bij het OM. Van Andel: „Maar ja, dat is natuurlijk het enige wat niet bespreekbaar is in Den Haag.”

Zaken om mee te scoren

Gebrek aan financiële kennis is een ander probleem, volgens Brouwer. „De curator, de rechter-commissaris, de fiscus, de politie en het OM: het zijn allemaal juristen.” Curatoren huren al vaker accountants in voor een ‘quick scan’ van de boeken, zegt ze. „Maar ook hier geldt: als de boedel leeg is, komt er geen onderzoek.”

Kleine zaken vallen onder de lokale politie, complexe zaken onder FIOD en het OM. Het ontbreekt aan mankracht, volgens de curatoren. „Met zaken onder een ton wordt sowieso niets gedaan”, zegt Van Andel. „Ze hebben geen prioriteit, want er zijn geen mensen om ze op te pakken.”

Zonder extra middelen en mankracht zullen de kabinetsmaatregelen weinig effect hebben, denkt Van Andel. „Mijn verwachting is dat zeker 90 procent van de fraudegevallen ook in de toekomst onbestraft zal blijven. Het OM zal zich alleen richten op de prestigieuze zaken waarmee justitie kan scoren, zoals de strafzaak tegen Joep van den Nieuwenhuyzen.”

Cultuuromslag nodig

Het ontbreekt verder aan samenwerking tussen curatoren, het OM, de Belastingdienst en de Autoriteit Financiële Markten (AFM), zegt Deterink. „Het zijn aparte koninkrijkjes met weinig wisselwerking. De AFM bijvoorbeeld houdt toezicht op de jaarrekeningen van beursgenoteerde bedrijven, maar beroept zich op geheimhouding en houdt de boeken gesloten.”

En de Belastingdienst geeft curatoren bijvoorbeeld geen informatie over de eigen bv’s van bestuurders van failliete ondernemingen, zegt Brouwer. „Terwijl het geld uit het bedrijf vaak dáárheen gaat.”

De fiscus zou curatoren juist goed kunnen helpen bij het verhalen van de schade, volgens de accountant. De Belastingdienst kan onderzoek doen naar verwante bedrijven die buiten een faillissement vallen, maar wel grote bedragen hebben ontvangen van de failliete bedrijven. De fiscus kan alle rekeningnummers van een bedrijf geven die bekend zijn of vertellen wie de eigenaar is van goederen. „Maar in de praktijk werken curatoren en de Belastingdienst nog weinig samen”, zegt Brouwer.

Een initiatief dat wel werkt, is het zogenoemde TRACK-systeem van het ministerie van Justitie, zegt Deterink. Hiermee kunnen curatoren alle vennootschappen van bestuurders in kaart brengen.

„Het allerbelangrijkste is dat er een cultuuromslag komt”, vindt curator Knüppe. „We maken ons in Nederland vreselijk druk om de ‘Bulgarenfraude’ van een paar miljoen euro, terwijl we de mensen die écht grote economische schade aanrichten, hard zouden moeten aanpakken. Alle betrokken partijen zijn het op de belangrijkste punten ook wel met elkaar eens. Maar we moeten het gewoon doen.”