Ons brein en de automatische piloot

Volgens Joshua Greene zijn onze morele instincten beperkt. Mensen moeten daarom worden bewogen keuzes te maken die tegen hun eigen opvattingen ingaan. Een naïeve gedachte.

De inzet van Moral Tribes, het nieuwe boek van Joshua Greene, het Amerikaanse ‘wonderkind’ van de neurowetenschap inzake de menselijke moraal, is duizelingwekkend hoog: niet alleen belooft hij ons te laten zien waarom verschillende culturen en ook mensen binnen culturen vaak onverzettelijk tegenover elkaar staan, maar ook hoe we dat zouden kunnen verhelpen. Hij belooft, kortom, het ei van Columbus.

In de Verenigde Staten maar ook hier vindt een steeds grotere polarisatie van waarden en opvattingen plaats – onderwerpen als de opwarming van de aarde, vrijheid van meningsuiting, het recht op abortus en het homohuwelijk zijn geen kwesties voor open debat, maar morele markeringspunten die men gebruikt om zich tegen elkaar af te zetten. Greene constateert bijvoorbeeld dat de scepsis jegens de wetenschappelijke verklaring van het broeikaseffect pas korte tijd deel uitmaakt van de standaard rechtse geloofsartikelen – voorheen was het gewoon een kwestie voor de wetenschap, nu is het emotioneel beladen. Gewone burgers kennen nauwelijks feiten, ze nemen het standpunt over van de groep waartoe ze zichzelf rekenen. De argumentatie wordt aangepast aan de onderliggende emotie.

Greene spreekt van ‘moral tribes’ – de overtuigingen of geloofsartikelen die de ‘stam’ bijeenhouden. In het interessantste deel van zijn boek verklaart hij waarom dat zo is: mensen zijn evolutionair uitgerust om als individuen in een groep te functioneren, maar missen de ingebouwde aanpassingsmechanismen om als groepen onderling goed samen te werken. Ik versus hen, dat is te doen: om de van oorsprong egoïstische mens goed in een groep te laten functioneren, hebben we een moreel instinct meegekregen. Anders gezegd, de moraal is evolutionair ‘bedoeld’ om ons beter met anderen te laten samenwerken – schuldgevoel, angst voor straf, natuurlijke afkeer van geweld.

Dat onze primaire reacties teruggaan op die noodzaak tot samenwerken illustreert Greene met tal van onderzoeken van hemzelf en collega’s. Die zijn veelal grappig en herkenbaar: vraag iemand of degene die een rechtszaak tegen hem heeft aangespannen, die hij verloren heeft, voor de kosten aansprakelijk gesteld moet worden, en het antwoord is overweldigend ja. Vraag iemand of hij zelf de kosten moet betalen voor een zaak die hij tevergeefs heeft aangespannen, en het antwoord is nee. Onze primaire morele instincten zijn vaak nuttig, maar ook beperkt en gekleurd.

En ze zijn vooral tribaal. Dat maakt samenwerking tussen groepen die er verschillende morele waarden op nahouden zo moeilijk – het gaat meestal tegen onze instincten in. De mens, zegt Greene, is een tribaal wezen, die de voorkeur geeft aan wij boven zij. Bovendien verschillen groepen meestal fundamenteel in hun opvatting over wat een goede samenleving is en over wat de rechten en plichten van de individuele leden van een groep zijn. Qua moraal houdt men vaak onverzettelijk vast aan leiders, teksten, goden en geloofsartikelen, die door andere groepen niet erkend worden. In het debat met andere groepen heeft men ook nog eens last van ‘biased fairness’, de instinctieve neiging om feiten voordelig voor de eigen groep te interpreteren. Wanneer een overtuiging eenmaal als onderdeel van een culturele identiteit wordt gezien – zoals euroscepsis – houdt men er in alle omstandigheden aan vast, ook al is de uitkomst aantoonbaar nadelig voor de eigen groep.

Daardoor lijkt het streven naar een gedeelde moraal en morele keuzes die op de instemming van een overgrote meerderheid kunnen rekenen, een hopeloze zaak. Toch niet, beweert Greene, we moeten op zoek naar een metamoraal, die uitgaat van de gedeelde waarden die gemeenschappelijk zijn. De moraal van iedere groep, of ‘stam’, heeft immers kenmerken gemeen met die van alle andere groepen, omdat ze afkomstig zijn van ons primaire morele ingevingen – moord is slecht, diefstal is slecht, verkrachting ook, et cetera. Maar aangezien die morele instincten ook beperkt zijn, is een andere manier van moreel denken nodig.

Greene vergelijkt het met de werking van een camera – je hebt de fabrieksinstellingen, handig om snel een landschap of een portret te schieten zonder dat je erover hoeft na te denken, en de handmatige instellingen – de bewuste, weloverwogen, zorgvuldig gekozen instellingen van de individuele fotograaf. Onze brein werkt net zo. Als dat op de lezer overkomt als het onderscheid tussen denken met je hart en denken met je hoofd, dan valt Greene hem van harte bij. Om samenwerking tussen groepen te bevorderen moeten we onze primaire instincten leren wantrouwen en relativeren, en ons verlaten op die ‘handmatige instellingen’, ons vermogen om voor- en nadelen af te wegen en op lange termijn te denken.

Wie is het er niet mee eens? Maar het is Greene niet genoeg; hij wil de mensheid een bruikbaar recept voor de toekomst meegeven. Volgens hem zijn de drie voor de hand liggende antwoorden op het queeste voor een metamoraal die het sektarisme overstijgt, niet geschikt: godsdienst, de rede en wetenschap. Geen van drieën, stelt hij, is in staat een voor iedereen acceptabele, gedeelde moraal te formuleren. Daarom pleit hij voor een minder fundamentalistische houding: we moeten gewoon kijken wat het beste werkt. Net als de filosoof Peter Singer is Greene een overtuigd utilitarist – het gaat erom te kiezen voor wat het grootste aantal mensen het meeste geluk oplevert.

Vanaf dat moment wordt Moral Tribes een raar boek. Greene heeft zeker oog voor de vaak felle kritiek op het utilitarisme à la Bentham en Mill – als de slavernij meer geluk oplevert voor de meeste mensen, dan kun je er niks tegen hebben? – en hij verdedigt zijn opvattingen met verve, maar het konijn dat hij uit zijn hoed tovert, is morsdood. Omdat de meeste groepen er een stevige moraal ophouden, lijkt hij er ook van uit te gaan dat die groepen door middel van redelijke overtuigingen en zorgvuldige berekeningen zijn over te halen hun emotioneel, diep verankerde overtuigingen ondergeschikt te maken aan een rationeel debat. Daarbij wringt hij zich opzichtig in bochten: we moeten leren onze primaire morele instincten kritisch te bekijken en ons verlaten op onze ‘handmatige instellingen’ om tot morele keuzes te komen, maar elders in zijn boek moet hij toegeven dat we ook die meer bedachtzame modus meestal laten kleuren door onze primair moreel instinct.

Greene afficheert zich als een Amerikaanse ‘liberal’ – hij komt er rond voor uit, maar ontkent dat zijn opvattingen die van gewoon een ‘stam’ te midden van andere stammen is. Juist zijn positie is erop gericht om de morele stammenstrijd te overstijgen en mensen door middel van utilitaristische argumenten te bewegen keuzes te maken die tegen hun eigen opvattingen ingaan. Dat is behalve hoogmoedig vooral naïef. Morele progressie is zeker mogelijk – de slavernij is afgeschaft, de ongelijkheid van vrouwen en minderheden niet meer uit ons bewustzijn te bannen – maar hij onderschat het geluk dat mensen putten uit hun doelbewuste onredelijkheid – of hun destructiedwang. Zoals Dostojevski schrijft: ‘Soms wil een mens gewoon iets stuk maken.’

Dat de groeiende morele tribalisering wellicht een reactie is op de toename van gelijkheid en uniformiteit in de wereld, lijkt Greene volledig te ontgaan. Dat het steeds vaker terugvallen op primaire, emotionele instincten in morele kwesties juist op een crisis in het redelijke, verlichte denken wijst, eveneens. Dat is jammer, want wanneer het gaat om ons inzicht te verschaffen van de werking van onze welgemeende, maar vaak inconsequente en tegenstrijdige morele aanvechtingen, heeft hij ons veel te vertellen.