Niemand wil de jongen die met de stoel gooide

Zo’n 5.000 kinderen kunnen niet op een school terecht. Dat overkwam deze jongen uit Leeuwarden bijvoorbeeld. Een school schorste hem na een ruzie. Hij werd als onhandelbaar bestempeld. En van die typering kwam hij niet meer af.

Hij zat met zijn beste vriend op een fiets toen ze werden aangereden door een automobilist. Zijn vriend stierf ter plekke. Op het Leeuwarder Lyceum ervoer de leerling, toen 13, weinig begrip. Sterker nog: zijn havo-klasgenootjes speelden het ongeluk na, zegt hij. Om hem te treiteren. Het maakte hem woedend. Hij smeet met een stoel, die kwam op iemand terecht. En hij werd geschorst.

Maar ook voor het ongeluk had hij vaak ruzie met andere scholieren. Hij mepte wel eens. Volgens zijn ouders uit onmacht en om zichzelf te verdedigen tegen pesterijen die al jaren duurden. Maar de school denkt daar anders over. Die schetst een beeld van een agressieve jongen met een kort lontje. Die de schuld altijd bij anderen legt. En zich niet makkelijk laat bijsturen.

Het beeld dat de school van hem heeft, zal nog een belangrijke rol spelen in zijn dramatisch verlopen schoolcarrière. Na zijn schorsing van de havo zat hij bijna twee jaar thuis. Inmiddels zit hij op mbo niveau 1 – het schooltype waarvoor officieel niemand geweigerd mag worden. Hij is niet de enige met schoolproblemen. Ondanks de leerplicht in Nederland zitten ruim 5.000 kinderen thuis. Hoe kan dat gebeuren?

Dat vroeg de gemeente Leeuwarden zich ook af in het geval van deze geweigerde leerling. En daarom stelde zij een onderzoek in naar de hulp aan de scholier.

Dat is bijzonder: nog nooit eerder deed een gemeente dat. Het vertrouwelijke rapport dat de Stichting Gedragswerk Culemborg vervolgens maakte, Als iedereen op scherp staat, verscheen onlangs. Het is in handen van deze krant. De studie geeft een onthullend beeld van instanties die er maar niet in slagen een onafhankelijk oordeel te vellen over de leerling en hem weer op de havo te krijgen.

Schoolleiders, bestuurders en zorgcoördinatoren wisselden herhaaldelijk vertrouwelijke informatie over hem uit, blijkt uit het rapport. Informatie die niet als juist was. Het leidde ertoe dat vrijwel alle betrokkenen hem bestempelden als agressief en onhandelbaar, terwijl velen van hen hem nog nooit hadden ontmoet. Geen enkele school in Leeuwarden wilde de jongen hebben. Hij werd heen en weer geschoven tussen scholen, behandelingen, adviseurs en speciale trajecten voor zorgleerlingen.

Zijn ouders – zijn moeder werkt op de afdeling Leerplicht van de gemeente Leeuwarden – belandden samen met haar advocaat in een loopgravenoorlog met alle instanties. Zij wilden dat hij terug zou kunnen komen op het lyceum waar hij werd geschorst. Maar hun houding deed de zaak niet altijd goed. Ze worden door sommige betrokkenen op bepaalde momenten als bedreigend en agressief ervaren, noteert de onderzoeker.

Spin in het web

Voor het rapport van Stichting Gedragswerk zijn achtentwintig mensen geïnterviewd die met hem te maken kregen. Eén man speelt een hoofdrol, Marinus Giesing. De onderzoeker noemt hem ‘de spin in het web’ rond de jongen. Giesing krijgt voor het eerst met hem te maken als hij na een schorsing bij het Leeuwarder Lyceum wordt verwezen naar Rebound, een tijdelijke opvang voor leerlingen met gedragsproblemen. Giesing is er de directeur. Als hij het goed doet bij Rebound, mag hij terugkomen. Het lijkt erop dat dit gaat gebeuren; de dagelijkse verslagen zijn positief. Maar toch zet Giesing het traject vroegtijdig stop. De verslagen waren positief van toon om de leerling niet te ontmoedigen, maar hij was vervelend, luisterde slecht en daagde leerkrachten uit, zal Giesing achteraf tegen de onderzoeker zeggen.

Hierdoor mag hij niet terug naar het Leeuwarder Lyceum. Zijn ouders melden hem daarom aan bij een andere middelbare school: het Comenius. Daar blijkt Giesing voorzitter van de toelatingscommissie en zorgcoördinator. De school wijst de plaatsing af.

Enige tijd later is er op verzoek van de ouders een zogeheten ‘Eigen Kracht’-bijeenkomst rond hun zoon. Daarin proberen hulpinstanties samen met familie en kennissen van de jongere oplossingen te vinden. Giesing is hierbij ook aanwezig, maar in welke rol is niet duidelijk. Hij zou er zitten namens de oude school van de leerling, maar hij wordt in het rapport ook omschreven als ‘onafhankelijk deskundige’. In de bijeenkomst wordt besproken dat de leerling een traject moet volgen bij de Sluisgroep. Dit is een opvangplek voor jongeren die het onderwijs dreigen te verlaten. Daar moeten deskundigen bepalen of hij in het regulier onderwijs thuishoort. En dat blijkt het geval.

Zijn ouders melden hem daarom opnieuw aan bij het Comenius. De jongen mag er beginnen, maar niet op de havo. Giesing – nu weer als voorzitter van de toelatingscommissie – wil dat hij op het vmbo instroomt en stelt dat, ook bij goede cijfers, hij niet naar de havo mag. De ouders zien dat niet zitten. Maar na veel gesteggel gaan ze toch akkoord. Ze zien geen andere mogelijkheid meer. Toch wijst de school de aanmelding af. Waarom dat precies gebeurt, wordt niet duidelijk uit het rapport.

De onderzoeker van het rapport concludeert dat het onmogelijk moet zijn geweest voor Giesing om de jongen nog „onbevangen en neutraal” te kunnen beoordelen. In het onderzoek staat: „Wanneer eenmaal een beeld is ontstaan van deze leerling dan is het nauwelijks nog mogelijk dat deze volledig opnieuw en onbevangen wordt benaderd en beoordeeld.” En een onderwijsconsulent zegt hierover: „Ik ben nu drie, vier jaar onderwijsconsulent in deze provincie en loop steeds aan tegen zijn grote invloed. Door die dubbele petten wordt deze voorzitter een slager die zijn eigen vlees keurt. Deze man heeft in alles het laatste woord, voor of achter de schermen.”

Maar er was meer aan de hand. Een aaneenschakeling van gebeurtenissen en handelingen heeft geleid tot een neerwaartse spiraal, zo stelt de onderzoeker. Het ontbrak bijvoorbeeld aan gedegen overdrachten, een tijdig handelingsplan en een goed gesprek met de ouders. De neerwaartse spiraal had doorbroken kunnen worden, denkt de onderzoeker. Bijvoorbeeld door op cruciale momenten externe deskundigen te raadplegen, een diagnostisch onderzoek uit te laten voeren of een onafhankelijke ‘regisseur’ aan te stellen. Want niemand hield het overzicht, en niemand was in staat om met een neutrale blik naar de leerling te blijven kijken. En zijn belang voorop te stellen.

Daarbij liepen de spanningen tussen de ouders en de schoolbesturen steeds hoger op. „Partijen spraken nog net niet met het mes op tafel”, zegt een voorlichter van de gemeente Leeuwarden achteraf. De onderzoeker schrijft: „Naarmate de tijd verstrijkt nemen de emoties toe en verharden ingenomen standpunten en posities. Het lukt betrokkenen steeds minder om afstand te nemen van alle gebeurtenissen.” De onderzoekers concluderen dan ook dat als iedereen op scherp staat, „kansen onbenut blijven”.

Het verhaal van deze jongen staat niet op zichzelf. Kinderombudsman Marc Dullaert publiceerde vorig jaar het rapport Van leerplicht naar leerrecht over ruim 5.000 kinderen die thuis zitten. Hij stelde destijds ook een meldpunt in, honderden ouders en kinderen deden daar hun verhaal. Dat zijn vergelijkbare verhalen, vertelt Dullaert, „waarbij het verschrikkelijk escaleert, niemand de regie meer heeft en het belang van het kind niet meer voorop staat”.

Leerrechtregisseur

Hoe kan het dat scholieren in zulke situaties terechtkomen? Omdat wij kinderen per se in de schoolbanken willen hebben, zegt Dullaert. In de leerplichtwet staat namelijk dat kinderen alleen onderwijs krijgen als ze fysiek aanwezig zijn op school. „Maar dat is niet altijd haalbaar.” Denk aan leerlingen met lichamelijke of psychische problemen, of leerlingen die hoogbegaafd zijn of gepest worden. De kinderombudsman zou daarom graag zien dat de leerplicht ruimer geïnterpreteerd wordt. „Zodat er maatwerk kan plaatsvinden en kinderen, als het echt niet anders kan, ook thuis onderwijs kunnen krijgen.”

Dullaert pleit ook voor een leerrechtregisseur. Dat is iemand met een neutrale blik die beoordeelt wat er moet gebeuren als de betrokken partijen er niet samen uitkomen. „Het moet iemand zijn die snel beslissingen kan nemen en de macht heeft om deze door te zetten.” De kinderombudsman is druk in gesprek met het ministerie over zijn aanbevelingen.

Terug naar Leeuwarden. Daar schrijven de leerplichtambtenaren in hun meest recente jaarverslag dat het toelatingssysteem in de stad is „dichtgetimmerd”. „Leerlingen die een tweede kans verdienen, krijgen deze niet.” Een leerling die het stempel „probleemleerling” heeft gekregen, komt daar niet meer van af.

Wethouder onderwijs Thea Koster (CDA) is tevreden over het rapport van Gedragswerk. „De betrokken partijen kunnen er hun voordeel mee doen.” Koster stelt geen concrete maatregelen voor, maar ze zegt een deel van de aanbevelingen en conclusies „in te brengen in de werkgroep passend onderwijs”. Daarvan is overigens Marinus Giesing ook lid. Hij was niet bereid om te reageren op dit stuk. Giesing is inmiddels ook aangesteld als projectleider passend onderwijs Noord-Friesland.

Naschrift (8 mei 2019): De voornaam van de in dit artikel besproken jongen is uit dit stuk geschrapt. Zijn naam is wel bekend bij de redactie.