Leukemie verdwijnt met precisieaanval

Bij veertien van de 16 leukemiepatiënten die een experimentele celtherapie ondergingen waren na afloop geen kankercellen meer te vinden in bloed of beenmerg. Een bemoedigend resultaat, vinden de onderzoekers van het Memorial Sloan-Kettering Cancer Center in New York (Science Translational Medicine, 19 februari).

Bij de behandeling werden T-cellen (een soort witte bloedcellen) van de patiënten genetisch zo veranderd dat ze specifiek de kankercellen aanvallen en vernietigen. Gezonde cellen laten ze ongemoeid. Zonder deze behandeling zouden deze patiënten zeker zijn overleden, want ze mochten alleen aan dit onderzoek meedoen als ze uitbehandeld waren.

De patiënten leden aan ‘B-cel acute lymfoblastische leukemie’ (B-ALL), waarbij in het beenmerg onrijpe B-cellen van het immuunsysteem gaan woekeren. Daardoor verstoren ze de aanmaak van normale bloedcellen en ontstaan bloedarmoede, een grotere vatbaarheid voor infecties en een verhoogde kans op bloedingen. Vaak verdwijnt de kanker na (langdurige) chemotherapie, maar soms steekt de tumor opnieuw de kop op of blijkt dat hij resistent is tegen de chemo. In dat geval is het vooruitzicht voor de patiënt somber en overlijdt hij meestal binnen een half jaar.

De precisieaanval op kankercellen is mogelijk door het langs genetische weg toevoegen van zogeheten chimere antigeen-receptoren. Deze complexe eiwitten hebben twee hoofdcomponenten. Eén daarvan koppelt de T-cellen aan een eiwit dat alleen op de kankercellen voorkomt. De andere zet de vernietiging in gang. Normaal is daarvoor nog de toestemming van andere delen van het immuunsysteem voor nodig.