Opinie

Iedereen is anders. Zelfs kind en ouder

Psychologie Ellen de Bruin

Andrew Solomon interviewde honderden families met kinderen die anders zijn dan hun ouders. Ongelooflijke verhalen.

Waarom willen mensen kinderen? Misschien, onbewust, omdat ze zelf eeuwig willen leven, samen met hun partner. Maar een kind heeft zijn eigen persoonlijkheid, die soms radicaal anders is dan die van hun ouders, schrijft de Amerikaanse journalist Andrew Solomon in zijn boek Far From the Tree (net vertaald als Ver van de boom). Hij interviewde er meer dan driehonderd families voor, met kinderen die op allerlei manieren heel anders zijn dan hun ouders. Hij deed er ruim tien jaar over.

Solomon begint met dove kinderen. Doven hebben hun eigen opgewekte cultuur, die veel horenden niet begrijpen; veel doven willen niet ‘genezen’ worden. Daarna beschrijft hij mensen met dwerggroei, die meestal ouders van normale lengte hebben. Dan kinderen met het syndroom van Down. Ouders weten al tijdens de zwangerschap of meteen na de geboorte of hun kind dat heeft. Autistische baby’s, daarentegen, kunnen normaal lijken en pas als peuters hun sociale aard verliezen. En een schizofreen kind is vaak ‘normaal’ tot in de puberteit, als de psychoses beginnen. Ouders van deze kinderen raken dus het ‘normale’ kind dat ze hadden, en van wie ze hielden, kwijt aan een vreselijke aandoening.

Op dat punt in het boek wist ik zeker dat ik me door de rest van de duizend pagina’s heen zou moeten huilen, en inderdaad. De verhalen van de meervoudig gehandicapte kinderen, die nooit zouden kunnen lopen of praten, of zelfs maar basale emoties tonen. Uit verkrachting geboren kinderen. De eenzame problemen van jonge genieën. Criminele kinderen, de Colombine High School moordenaars.

En Solomon noteert zorgvuldig alle wreedheden die mensen elkaar aandoen. Tegen ouders van een Down-kind zeggen dat het niet geboren had mogen worden. Dove kinderen verkrachten die toch niet kunnen klikken. Een vader van een transgender-kind kwam op een dag thuis van zijn werk en vond de hond, vermoord en aan het hek gespijkerd. Met een briefje dat het kind zou volgen.

Gelukkig gaat het boek niet alleen over wreedheid; het gaat vooral over liefde. Als lezer voel je je getroost door de liefde en de moed van deze ouders en hun kinderen. En er valt gelukkig ook af en toe wat te lachen. Als een familielid van een schizofrene jongen een detective inhuurt om hem in de gaten te houden, bijvoorbeeld. Deze jongen had waanideeën dat de FBI hem in de gaten hield, en nu werd hij écht gevolgd.

Tegen het eind, bij het hoofdstuk over transgenders, wordt de stemming opgewekter, met verhalen van mensen die het lukt om te veranderen in de persoon die ze graag willen zijn. Zoals ook Solomon zelf is veranderd in de persoon die hij wilde zijn. Hij begon het boek met zijn eigen ‘anders-zijn’: zijn ouders vonden het moeilijk om zijn homoseksualiteit te accepteren. En aan het eind van het boek is hij zelf vader geworden.

Als lezer voelde ik me tegen die tijd ook veranderd: ik had een hoofd vol ongelooflijke verhalen en voelde me verbonden met iedereen die anders is. Want als Solomon één boodschap overbrengt, is het deze: we zijn allemaal verschillend, we zijn allemaal volkomen uniek, en juist doordat we dat allemáál zijn, zijn we in feite allemaal hetzelfde.