‘Het geeft troost dat hij zelf voor het leger had gekozen’

In de rubriek ‘Het nabestaan’ praten mensen over verlies, rouw en hoe het leven verder gaat. Daaronder staat een necrologie van een niet per se bekende persoon.

(Boven) „Bloemengroet in 2011 van de jongens van Marks peloton, bij de plek waar zijn as is uitgestrooid.” (Rechts op de foto Marks ouders, broer en partner.) (Links) „Vertrek naar Uruzgan: laatste foto van ons van de levende Mark.” (Rechts) „Marks naam op een zuil bij het uitstrooiveld in Usselo.”
(Boven) „Bloemengroet in 2011 van de jongens van Marks peloton, bij de plek waar zijn as is uitgestrooid.” (Rechts op de foto Marks ouders, broer en partner.) (Links) „Vertrek naar Uruzgan: laatste foto van ons van de levende Mark.” (Rechts) „Marks naam op een zuil bij het uitstrooiveld in Usselo.”

Zij: „Als mensen vragen: ‘Hoeveel kinderen heb je?’, dan zeg ik: ‘Ik heb twee zonen.’ Mijn jongste zoon is dan wel omgekomen in Uruzgan, maar hij blijft voor altijd mijn zoon, toch?”

Hij: „Voor ons is Mark niet dood, wij zeggen: ‘Hij is aan de andere kant van het leven.’”

Zij: „Wij zijn niet gelovig, maar ergens hopen we dat we elkaar daarboven ooit weer tegenkomen, dat Mark kan zien hoe wij nu leven en dat hij dan straks tegen ons zegt: ‘Jullie hebben het goed gedaan.’”

Hij: „Wij hebben eigenlijk nooit gezegd dat het slecht met ons gaat. Onze houding is: het is vreselijk dat Mark gesneuveld is, maar je moet wel proberen verder te gaan met je leven. Mark zou niet gewild hebben dat we de rest van ons leven hier gingen zitten janken op de bank.”

Zij: „Wij hebben nog een zoon, Ruud, die recht heeft op gezellige ouders. Er is ook zoveel moois gebeurd in de afgelopen jaren. We zijn opa en opa geworden, van een kleindochter en een kleinzoon.”

Hij: „Ja, met kleinkinderen erbij komt je leven echt in een nieuwe fase. Zo mooi, dat jonge spul om je heen. Gisela is oppasoma op dinsdag, ik ben oppas-opa op vrijdag; ik ben een dag minder gaan werken.”

Zij: „Wat troost geeft, is dat Mark helemaal zelf voor het leger heeft gekozen. Daar lag zijn hart, daar vond hij het avontuur en de kameraadschap die hij zocht. En hij was op slag dood, hij zal er zelf weinig van gemerkt hebben. We hebben gelukkig niet de herinnering aan een lijdensweg.”

Hij: „Mark is omgekomen op 18 april 2008, samen met z’n commandant, Dennis van Uhm, de zoon van Peter, de hoogste legerman toen. Twee van zijn maten zijn blijvend invalide geraakt. Ze zijn met hun jeep op een bermbom gereden.”

Zij: „In totaal zijn 24 jongens omgekomen bij die missie in Afghanistan. Defensie organiseert twee keer per jaar een lotgenotendag voor familie. Wij zijn er twee keer geweest, maar ons hielp dat niet. Ik kwam er vandaan met hoofdpijn en een knoop in m’n maag.”

Hij: „Ieder mens reageert op z’n eigen manier op de dood van z’n kind. Veel mensen staan er heel negatief in: boos op de politiek, boos op Defensie, spanningen in gezinnen, met echtscheidingen ook wel. Dat speelt bij ons gelukkig allemaal niet.”

Zij: „Een dag of tien na het ongeluk van Mark had premier Balkenende op het Catshuis een bijeenkomst met familie van Afghanistan-slachtoffers georganiseerd, met minister Van Middelkoop ook, en hoge militairen. Wij kregen echt een beetje medelijden met onze gastheren: ze kregen nogal wat modder over zich heen. We zijn vroegtijdig weggaan.”

Hij: „Wij zijn op een hele andere manier met Mark bezig. Elke week, op vrijdag of zaterdag, brengen we een bosje gemengd gekleurd rozen bij het uitstrooiveld in Usselo, hier vlakbij. Op een zuil daar staat de naam van Mark, gegraveerd op een plaatje. Het is al bijna zes jaar lang een vast moment in de week: even naar Mark.”

Zij: „De jongens van zijn peloton komen elk jaar op zijn sterfdag, 18 april, naar Usselo om een ‘bloemengroet’ aan Mark te brengen. Ze zijn weer uitgezwermd over het hele land, ze zijn allemaal hun eigen weg gegaan, maar de onderlinge band is nog heel sterk.”

Hij: „Wij ontvangen ze in een restaurant in de buurt van het uitstrooiveld, dan drinken we samen een kop koffie en daarna gaan we met z’n allen naar Mark.”

Zij: „Een deel van de jongens kenden we al voordat Mark naar Afghanistan vertrok; we hebben altijd de open dagen van zijn opleiding bezocht. Een ander deel hebben we nadien leren kennen. We hebben Mark verloren, maar soms lijkt het alsof we een grote familie van jongens erbij hebben gekregen, met hun vrouwen – en het ene kind na het andere wordt nu geboren. Laatst zijn we in Beverwijk nog op kraamvisite geweest – kroamschudden, noemen we dat hier in Twente.”

Hij: „En dan is er de tattooclub: zeventien jongens van het peloton die een tattoo hebben laten zetten waarin de namen van Mark en Dennis zijn verwerkt. Toen we dat hoorden, hebben we voor hen bij ons thuis een barbecue georganiseerd. De jongens zonder tattoo mochten ook komen, hoor; sommigen hadden gauw iets met viltstift op hun arm gezet. Elk jaar, eind mei, begin juni, organiseren we nu zo’n barbecue.”

Zij: „Ja, de vrouwen zijn ook welkom; kunnen de jongens drinken. En we huren voor iedereen een stoel, want de twee jongens, die het ongeluk van Mark en Dennis wel hebben overleefd, zitten in een rolstoel. Toen zei ik: dan gaat de rest ook zitten, anders hangen die twee jongens in de rolstoel er zo’n beetje bij, dat kan niet.”

Hij: „Twee keer per jaar gaan we naar herdenkingen die Defensie organiseert: in Arnhem van de Landmacht en in Roermond voor alle slachtoffers bij vredesmissies. Zo lang we dat kunnen, zullen we dat blijven doen.”

Zij: „En we gaan nu jaarlijks op 4 mei naar de dodenherdenking hier in Hengelo. Eerder deden we dat niet. In zijn toespraak noemde de toenmalige burgemeester ook Mark altijd even.”

Hij: „Toen Mark net omgekomen was, belde de burgemeester om te vragen of hij op bezoek mocht komen. En hij zei: ‘Mag mijn vrouw ook meekomen?’”

Zij: „Ja, ontroerend vonden we dat. De burgemeester zag er natuurlijk ook als een berg tegenop om hier te komen. Die dacht waarschijnlijk: ik neem m’n vrouw mee – vrouwen zijn nu eenmaal wat beter in emotionele dingen.”

Hij: „Wij zijn echt gedragen geweest door zoveel geweldige mensen om ons heen – en nog steeds. Dankzij hen zijn we overeind gebleven. Zo zie je dat uit iets vreselijks toch ook weer iets goeds kan voortkomen.”