Een Britse federatie kan Schotland behouden

Wil de Britse Unie Schotland aan boord houden, dan zal ze van gedaante moeten veranderen, meent Hans Steketee.

Groot-Brittannië wordt steeds kleiner. Hele stukken staan onder water en binnenkort kan Schotland zomaar wegdrijven. Op 18 september stemt Schotland over de vraag of het als zelfstandig land verder wil. Afgaand op de scherpe toon die het debat heeft gekregen, neemt de Britse regering van David Cameron de kans ernstig dat de Schotten ‘ja’ zullen zeggen.

Het idee van Schotse onafhankelijkheid leek altijd weinig realistisch. En nog steeds zeggen de peilingen dat de vijf miljoen Schotten in meerderheid zullen kiezen voor de zekerheid van het Verenigd Koninkrijk, waarvan ze ruim driehonderd jaar deel uitmaken. Maar een op de vier Schotten zegt óók pas op het allerlaatst zijn keuze te bepalen. Dat aantal is in theorie genoeg voor de swing waarop de Schotse leider Alex Salmond hoopt.

Londen zoekt intussen moeizaam naar de juiste toon. Met een beroep op zijn (verre) Schotse roots vroeg een emotionele premier Cameron deze maand de Schotten „het meest bijzondere land uit de geschiedenis” – de Unie van Engelsen, Schotten, Welshmen en Noord-Ieren – niet kapot te maken. Een paar dagen later dreigde zijn minister van Financiën, George Osborne, dat Schotland een muntunie met het pond Sterling wel kan vergeten bij een afscheiding.

Beiden kregen een opsteker uit Brussel, toen voorzitter Barroso van de Commissie zei dat een EU-lidmaatschap voor een zelfstandig Schotland „extreem moeilijk, zo niet onmogelijk” zou worden. De Spanjaarden zouden het vetoën omdat Catalonië anders dezelfde weg opgaat.

Behalve hun kleinerende toonzetting, die wel eens averechts zou kunnen werken, delen deze argumenten de angst voor het verlies van de status quo. Toch zou het verstandig zijn als Cameron zijn rigide idee van de Britse Unie bijstelt. Daarmee verhoogt hij de kans dat hij de Schotten aan boord houdt.

Het Verenigd Koninkrijk is het product van oorlog. Het ontstond in 1707 uit angst voor Lodewijk XIV. Een eeuw later, met Napoleon als dreiging, trad Ierland toe. De Britse identiteit floreerde altijd bij externe krachten. Maar het was in zekere zin een negatieve identiteit. De vraag ‘wie zijn we?’ betekende voor de Britten vaak: wie zijn we niet? Ze waren niet katholiek, hoorden niet bij het continent, hadden geen revoluties en waren nooit door de nazi’s bezet. Maar die externe factoren, de ideeën en verhalen die hen bonden, raken uitgewerkt, waardoor ‘Britsheid’ aan onderscheidend vermogen verliest. Het is dus niet zo gek dat sommige eilandbewoners een nieuw ‘bezield verband’ zoeken. ‘Europa’ hoort daar voor veel Schotten bij.

Het hoeft niet het eind van de Unie te zijn; ze is altijd al van gedaante veranderd. De huidige vorm, met Londen als het allesoverheersende zwaartepunt, ontstond ook pas sinds, of door, de Tweede Wereldoorlog. Ten tweede moet Cameron zich realiseren dat de Unie voor Schotland altijd een verstandshuwelijk is geweest. Als de harde argumenten – economisch, politiek, militair – om het te laten voortduren ontbreken, kan het beter ontbonden worden.

Labourpremier Tony Blair heeft geprobeerd de relatie tussen de onderdelen van de Unie structureel te verbeteren. Juist door de Unie losser te maken, hoopte hij haar te verstevigen. In 1999 kreeg Schotland zijn parlement terug, met eigen bevoegdheden, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs, landbouw, toerisme en zorg. Maar in veel Schotse ogen bleef het repressieve tolerantie. Economisch loopt Schotland immers nog aan de Londense leiband.

Daar zijn goede argumenten voor, zoals de gelijke verdeling van sociale voorzieningen. Maar het gaat voorbij aan het Schotse gevoel als klein kind te worden behandeld. Cameron, en de premiers na hem, zullen Schotland als vol- en gelijkwaardig partner in de Unie moeten accepteren. Dat het land zo meer het karakter van een federatie krijgt, is onvermijdelijk.

Het onafhankelijkheidsstreven van de ‘Kelten’ heeft een keerzijde. Schotland, Wales en Noord-Ierland kregen culturele en politieke emancipatie terug voor hun verdampende Britse identiteit. Maar de Engelsen, met 50 miljoen de grootste ‘deelnatie’, kregen niets. Ze mogen zich niet meer bemoeien met Schotse kwesties, maar in het landsparlement in Westminster dat de Engelsen de wet voorschrijft, zitten nog wel Schotten, Welsh en Noord-Ieren. Zo dreigen de Engelsen verweesd te raken.

Een gemoderniseerde Unie heeft daarom ook behoefte aan een eigen parlement voor de Engelsen. Logisch gevolg is dat Westminster taken kwijtraakt en zich, net als in Duitsland, vooral moet richten op wat het land als geheel aangaat, zoals defensie en buitenlands beleid.

Zeven maanden resten tot het Schotse referendum. Tegelijkertijd stijgt de spanning over dat andere referendum, in 2015: over het Britse lidmaatschap van de EU. Cameron laat intussen geen kans onbenut om een vrijere positie voor zijn land te eisen in ruil voor een voortgezet EU-lidmaatschap. Paradoxaal genoeg is dat precies wat hij de Schotten ontzegt.

Een Verenigd Koninkrijk 2.0 vergt durf en visie – en misschien zelfs een geschreven grondwet die zo’n nieuw ‘bezield verband’ bezegelt. De angst die Cameron nu regeert, versnelt het proces dat hij vreest.