Een botte kaakslag

Het Nederlandse discours over kunst is vergiftigd - zeker in vergelijking met Duitsland. En gaan kunstcritici hieraan ook mee doen, dan zal kunst in Nederland in geen tijd uitsterven, waarschuwt Johan Simons.

Scene uit ‘Dantons Dood’ door Toneelgroep Amsterdam. Foto Jan Versweyveld

‘Drama ontbreekt in duffe Dantons dood’. Dat stond vorige week boven de recensie in deze krant van mijn voorstelling van Georg Büchner bij Toneelgroep Amsterdam. Van de vijf sterren kreeg ik er eentje. Wat volgde was een kritiek die ik als zeer onrustwekkend heb ervaren. Deze tekst schrijf ik als reactie daarop, omdat ik vind dat ik mijn stem moet laten horen.

Ik geef er niet om of een recensie een positief of negatief oordeel velt over een voorstelling van me, echt niet. Ik ben 67 jaar oud, heb honderden voorstellingen gemaakt, mijn reet zit inmiddels vol met veren en ik werd al even vaak met pek besmeurd en de stad uitgejaagd. Ik zou mijn hele huis twee keer van vloer tot plafond kunnen behangen: een keer met slechte recensies, en een keer met goede. Een rotrecensie meer of minder maakt me echt niet uit. Critici kan ik zelfs zeer waarderen. Ik ben altijd op zoek naar feedback en kritiek, tijdens repetities, tijdens vergaderingen, kritiek houdt me wakker, ze inspireert me, als het tenminste gefundeerde, intelligente kritiek is die vertrekt vanuit een respect voor waar ik me vol hartstocht voor inzet: kunst en kunstenaars.

Büchner, een maatschappelijk revolutionair en een literair avant-gardist, was een absoluut supertalent, hij is een van mijn favoriete schrijvers. Voor mij staat hij naast Sarah Kane, Pier Paolo Pasolini en Elfriede Jelinek. Net zoals Sarah Kane, die hem trouwens zeer bewonderde, stierf Büchner nog voor hij dertig werd. Dat de recensie in deze krant opende met de vraag „Wat bezielt regisseurs om Dantons dood op te voeren?”, ervaar ik als een kaakslag. Wat een domme, arrogante vraag. „De achilleshiel van dit belerende stuk is het ontbreken van echte dialogen”, zo analyseert de recensent. Nou, dan kan je wel de helft van de theaterliteratuur weg sodemieteren, als alleen ‘echte’ dialogen mogen klinken. Kane, Pasolini en Jelinek kunnen dan als eersten de prullemand in.

De verwachting wordt gewekt dat op het toneel alleen maar een taal mag klinken die er vlotjes ingaat, een taal zonder weerhaken die niet teveel aandacht op zichzelf vestigt, een bevestigende, geruststellende taal. Maar Büchner stelt niet gerust. Büchner stelt lastige vragen. Dantons dood is een van de weinige stukken die steeds opnieuw, en dat al sinds bijna 200 jaar, de maat van onze tijd nemen. Wat is het dat in ons liegt, hoereert, steelt en moordt? is een vraag die vandaag nog net zo relevant is als in 1835.

„Wie theater zonder dialogen wil zien, kan net zo goed een tandartsencongres bijwonen”, stond er ook. Triest vind ik zo’n populistische vergelijking. Beledigend voor theatermakers en tandartsen. Dankzij dit soort bittere beeldspraak zijn partijen als de PVV erin geslaagd het discours over kunst in Nederland verregaand te vergiftigen. Als kunstcritici hieraan mee gaan doen, zal kunst in Nederland in geen tijd uitsterven. Voor die voorspelling steek ik mijn hand in het vuur. We zijn nu al een bedreigde diersoort. Want zeg nou, dan zijn de fuga’s van Bach toch niets meer voor vandaag de dag! Of het Quatuor pour la fin du temps van Messiaen, waarom zou je dat nog opvoeren? Er zijn geen beats te horen, de melodie is grillig en onvoorspelbaar, je kan er geen musical op baseren, bovendien speelt André Rieu ze niet op zijn concerten.

Vanuit de ervaring die ik de afgelopen jaren als intendant van de Münchner Kammerspiele heb opgedaan, wil ik een vergelijking maken met de kunstkritiek in Duitsland. Ik weet het, de Nederlandse pers werkt in totaal andere omstandigheden dan de Duitse pers. Duitse kranten bedienen een veel groter lezerspubliek dan Nederlandse, wat veel meer financiële middelen ontsluit. Er zijn meer vaste redactieleden en medewerkers voor kunst en cultuur, er is meer plaats in de krant. Dat klopt. Maar er speelt ook iets anders mee. Kunst speelt in het collectieve bewustzijn van de Duitsers een rol van centrale betekenis. In de Süddeutsche Zeitung, een van de beste kranten in Duitsland, komt de kunstbijlage, het ‘Feuilleton’, als tweede katern, meteen na het hoofdnieuws. Die bijlage bevat overigens geen sensatieberichten over Canadese kindsterretjes, societynieuws uit Hollywood of nieuwe mediahypes, daarvoor zijn er aparte, gespecialiseerde pagina’s. Nee, ze staat barstensvol uitstekend geschreven analyses van auteurs met kennis van zaken en een eigenzinnige, herkenbare stem. Journalisten vragen ter voorbereiding tekstbewerkingen op, verdiepen zich in de opvoeringstraditie van een stuk, ze zijn liefdevol en kritisch tegelijkertijd – net zoals sommige gewaardeerde Nederlandse critici dat uiteraard ook zijn. Oostenrijkse kranten plaatsen zelfs geregeld recensies van belangrijke voorstellingen op de voorpagina – zoiets is in Nederland ondenkbaar, maar hoe geweldig zou het zijn! Wat een rebellie tegen vervlakking, wat een eigenzinnigheid, wat een trots!

Tekenend en grondslaggevend voor de bijzondere positie van de kunst in Duitsland is uiteraard dat de politici van de grote partijen, zowel die van de centrum-rechtse christen-democraten als die van de socialisten, kunst en cultuur tot speerpunten van hun beleid maken. Ze steunen kunstinstituten op een onvoorwaardelijke manier. Ze houden bevlogen toespraken op vernissages en festivals. Anders is het in Nederland: hier zijn kunstenaars en kunstliefhebbers belastingprofiteurs, linkse hobbyisten, subsidiejunks.

Elk jaar moet ik als intendant in München mijn plannen eerst aan de politiek voorleggen, alvorens ik er mee naar de pers ga en voordat ik ze aan het gezelschap voorleg. Onze seizoensbrochure wordt pas verdeeld nadat het stadsbestuur weet wat we gaan doen. Dat wil niet zeggen dat de politiek mij dicteert welke stukken we spelen. Het wil wel zeggen dat ik me bij de vertegenwoordigers van het volk moet verantwoorden waarom ons repertoire relevant is voor deze tijd en deze plaats. Dat we daarbij kiezen voor een repertoire dat behalve liefdevol en troostrijk soms ook risicovol, ijskoud, demonisch, onherbergzaam is, vormt absoluut geen probleem, zolang het maar van een reflectie op de mens en de samenleving getuigt. Bij die verantwoording zou ik niet graag te maken krijgen met een vrije markteconomie die in de Nederlandse kunstpolitiek (en uiteraard ook elders) meer en meer als maat voor alle dingen geldt, ook voor wat eigenlijk alleen maar dankzij subsidies kan overleven. De afnemer zou in dat geval alleen maar ‘liefdevol en troostrijk’ als relevant criterium beschouwen, want dat is gemakkelijk te verkopen. Het onherbergzame zou geen kans meer krijgen. Het demonische zou in de etalage blijven liggen. Het ijskoude zou verdwijnen: alles op kamertemperatuur. Lange voorstellingen? Weg ermee. De zaal niet meteen vol? Stekker eruit. Geen dialogen? Loop toch naar het tandartsencongres.

Ik probeer het geloof te bewaren aan de utopie waarin kunst een gewaardeerde rol speelt in een gelaagde maatschappij. Daarin is plaats voor cultuur, die ontstaat vanuit de gemeenschap en een breed en groot publiek aanspreekt. Daarin is ook plaats voor kunst, die elitair is en rustig elitair mag zijn, en die moet ondersteund worden vanuit de politiek – als die tenminste een ambitieus maatschappelijk model koestert. Een samenleving heeft vele elites nodig: politieke, wetenschappelijke, medische, filosofische, artistieke specialisten. Die houden het niveau hoog, die helpen ons allemaal vooruit, daar heeft iedereen iets aan.

Kunst is cruciaal: ze spoort aan tot fantasie en reflectie, ze biedt denkmodellen voor de toekomst en graaft daartoe diep in waardevolle herinneringen en erfenissen uit het verleden, zoals het spaarzaam nagelaten werk van Georg Büchner, het wonderkind dat over het slechte in de mens en over de humanistische revolutie schreef.