Doe eerst eens goed onderzoek naar ritalin

Wat doe je als zowel je vriend als je kind het advies krijgt ritalin te slikken? Yaël Vinckx twijfelt. Zijn er ook alternatieven?

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron.
Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

In de week dat Arie Boomsma, René Gude en Daan Heerma van Voss een ritalinexperiment hielden, begon mijn vriend M. aan zijn ‘ritalintrip’. Dat was overigens louter toeval. En ook de overeenkomsten waren, op de woorden ‘ritalin’ en ‘experiment’ na, gering.

Waar Boomsma c.s. hun plan in een middag hadden bedacht, had M. de afgelopen drie jaar tegen dit moment aan gehikt. Misschien kon je zelfs zeggen dat de eerste 47 jaar van zijn leven naar dit moment hadden geleid.

De gevolgen waren niet mis. Om 09.00 uur nam hij een eerste pil. Hij had toen al hoofdpijn en die werd prompt erger. Om 14.00 uur nam hij een tweede pil. Een uur later wankelde hij door de gang. ‘Straalmisselijk’ zeeg hij op de bank neer. Om 18.00 uur trok hij bij. Maar de derde pil van die dag nam hij niet.

Tien dagen lang nam hij ritalin. Twee pillen per dag. In die dagen voerde hij enkele van zijn vele plannen eindelijk uit. Per direct zelfs. Een vervelend zakelijk gesprek dat hij al maanden had uitgesteld; een flinke huishoudelijke klus die hij al jaren voor zich uitschoof.

En hij kon zich concentreren, zomaar. Focussen, noemde hij dat.

Voor M. is de diagnose ADD gesteld, een concentratiestoornis die verwant is aan ADHD, maar dan zonder de wriemelende hyperactiviteit. Staat ADHD in de volksmond voor Alle Dagen Heel Druk, dan staat ADD voor Alle Dagen Dromen. Voor onbegrepen opdrachten. Voor onafgemaakte handelingen. Voor gedachten en zinnen die nooit eindigen.

Na tien dagen stopte M. met zijn ritalinexperiment. Hij had last van hoofdpijn, trillende handen, hartkloppingen. Maar bovenal voelde hij zich niet zichzelf. Gejaagd. „Het is echt dope hoor”, zei hij. Hoewel de werkzame stof in ritalin, metylfenidaat, binnen vier uur uitgewerkt zou zijn, voelde hij ’t nog anderhalve dag.

Soep in haar hoofd

Afgelopen week slikte onze tienjarige dochter Y. haar eerste ritalinpil. Daar hadden we nog veel langer tegenaan gehikt – en onze bedenkingen groeiden nog eens na het ritalinexperiment van haar vader. Toch deden we ’t. Waarom?

Vorig jaar kreeg Y., net als haar vader, de diagnose ADD. Daar ging een lange weg van ontkenning aan vooraf. In groep 2 (Y. was toen vijf jaar) zeiden de juffen dat ze „te jong” voor haar leeftijd was. Daar moesten we om lachen. In groep 3 bleef ze zitten. Vonden we ook niet erg. Intussen zagen we op zwem- en turnles dat Y. altijd achteraan in de rij ging staan. Pas later zou ze ons vertellen dat al die instructies een grote soep in haar hoofd vormden, maar dat ze, als ze achteraan ging staan, bij de anderen kon afkijken wat ze moest doen.

In de herhaling van groep 3 trok een oplettende meester snel aan de bel. Voor een zittenblijver liep Y. wel erg achter. Ook leek ze vaak niet op te letten en kreeg ze haar werk nooit af. Misschien was het dyslexie. Toen Y. vervolgens dyslexiebegeleiding kreeg, was ze binnen de kortste keren de beste van die groep.

In groep 5 maakte een lieve juf zich zorgen. „Sommige kinderen zijn tevreden in hun eigen luchtballon, maar Y. is ongelukkig”, zei ze. Y., inmiddels 9 jaar, begon te voelen dat ze ‘anders’ was – en dat wilde ze niet zijn.

We belandden bij een centrum voor kinder- psychiatrie. Zij stelden ADD vast en boden in één adem de oplossing: ritalin. Wij wilden daar eerst over nadenken. Ook al waren we nooit zo stellig tegen ritalin geweest, nu het om ons eigen kind ging, lagen de zaken toch anders.

Ik las artikelen, boeken, sprak deskundigen. En begreep dat AD(H)D een verzinsel van het medisch-industrieel complot zou zijn om meer pillen te verkopen; dat ritalin een drug is die op Amerikaanse campussen wordt verhandeld om betere resultaten te behalen; dat de feminisering van het onderwijs ervoor heeft gezorgd dat er voor drukke jongetjes geen plaats meer is; dat je AD(H)D eenvoudig kunt voorkomen door de diagnose niet te stellen.

Een arts vertelde me dat je er hoofd- en buikpijn van kunt krijgen en dat je er minder van gaat eten en later van gaat slapen. Op mijn vraag wat de langetermijneffecten zijn, kon ze geen antwoord geven, anders dan dat ‘het middel al vanaf de jaren zeventig wordt toegepast’. Maar nog niet zo lang op kinderen en niet zo grootschalig, bracht ik daar tegenin.

Intussen drongen arts en juf erop aan dat Y. ritalin zou gebruiken – al was het maar „om te proberen”. Maar experimenteren met drugs op mijn eigen kind – dat vond ik ver gaan. Waren er geen alternatieven, zoals cognitieve gedragstherapie? Nee, zeiden ze bij het centrum voor jeugdpsychiatrie. Voor ouders was er een oudergroep, voor tieners was er een pubergroep, maar voor onze tienjarige Y. was er niets.

Sterker, zouden we haar geen pil geven, dan konden ze op het centrum niets voor ons doen. Dan moesten we het verder zelf maar uitzoeken. Daar keek ik, op z’n zachtst gezegd, van op.

Kunstenares of styliste

We zagen ons voor een dilemma geplaatst. Eigenlijk wilden we onze dochter geen ritalin geven. Vooral niet omdat we ervan overtuigd zijn dat het goed komt. Y. wil later kunstenares worden, modeontwerpster, visagiste, of styliste (als het maar niks met taal of rekenen te maken heeft) en wij denken dat het haar gaat lukken.

Tegelijk moeten we ook vaststellen dat dit op een ‘natuurlijke’ manier niet zal gaan. Y. maakt braaf haar huiswerk, maar eenmaal op school kan ze zich niet concentreren en ligt haar tempo te laag. Daardoor heeft ze nooit haar werk of toets op tijd af en scoort ze daardoor altijd een 1. Niet alleen verliest ze de moed, ook stevent ze af op het laagste vmbo-niveau, terwijl haar school en wij denken dat er meer in haar zit.

Dus gaven we Y. afgelopen maandag haar eerste ritalin. Drie uur later belde het centrum voor jeugdpsychiatrie. Of ze al een pil had gekregen? En of we daar dan direct mee wilden stoppen, want gezien de ervaring van haar vader met ritalin, enkele weken eerder, was het beter als we eerst een hartfilmpje van Y. lieten maken. Een hartfilmpje? Nou ja, dat was eigenlijk niet nodig, stelden ze ons gerust, maar je kon beter het zekere voor het onzekere nemen.

Y. gaf aan dat ze die ochtend niets van de pil had gemerkt. Maar toen ik ’s middags met haar in de supermarkt was, liep ze pardoes tegen een pallet colaflessen op. „Zo gek mamma”, zei ze, „ik wil rechtuit lopen, maar ik ga schuin”. Om vervolgens de bocht te kort te nemen en tussen de lang houdbare melk te belanden.

„Het duurde maar twee minuten”, zei ze later, om mij gerust te stellen.

Ik ben niet voor ritalin. En niet tegen. Het geven van ritalin is een afweging die iedere ouder, in samenspraak met artsen, zelf moet maken. Maar ik ben wel vóór gedegen onderzoek naar de korte- en vooral langetermijn-effecten. En vóór gedegen onderzoek naar alternatieven. Zeker nu het middel door zo veel mensen, kinderen incluis, wordt gebruikt.

Want experimenteren met ritalin, dat laat ik graag aan Arie Boomsma en zijn vrienden over.