Dieren met dieren liefde

Soort zoekt soort, en dat geldt letterlijk in het dierenrijk. Maar in uitzonderlijke gevallen lijken rivaliserende soorten een vriendschapsband te vormen.

Foto Alex Wilson

Alle dieren zijn egoïsten, denken we. Wie zijn genen wil verspreiden, helpt zichzelf, zijn kinderen, zijn familieleden en, vooruit, zijn groeps- en soortgenoten.

En toch zijn er ook in het wild dieren die zich daarvan niets aantrekken. Zoals de beroemde leeuwin Kamunyak in Kenia, die tien jaar geleden een reeks spiesbokjes verzorgde alsof het haar eigen jongen waren. Maar er is meer. Een groep kapucijnapen die een jong penseelaapje opneemt. Een volwassen tuimelaar die bij potvissen woont. Een stel knobbelzwanen in Almere dat samen twee gansjes grootbrengt.

Je zou het, naar menselijke analogie, dierenliefde kunnen noemen. Ze bieden zorg en aandacht, waar ze binnen de biologische boekhouding niks voor terugkrijgen. Geen energie, geen levensjaren, geen nakomelingen.

Is dit gedrag uitzonderlijk? Ongetwijfeld. Maar is het ‘psychisch gestoord’, zoals leeuwenkenner Craig Packer destijds over Kamunyak schreef? Of anders toch minstens een foutje? De onderzoekers die de tuimelaar bij de potvissen ontdekten, spreken zelf van ‘misplaatste ouderzorg’.

Onzin, vindt primatoloog Frans de Waal. Als antwoord op de vraag mailt hij vanuit de VS: „Als wij een hond in huis nemen, dus ons verzorgingsinstinct toepassen, zien we dit ook niet als een vergissing.”

De wetenschappelijke literatuur kent nauwelijks beschrijvingen van dieren met dierenliefde – de kapucijnapen, de potvissen en de zwanen zijn uitzonderingen. Maar afgelopen oktober verscheen er in de VS een boek (Unlikely Loves, van dierenschrijfster Jennifer Holland) dat erop wijst dat heel veel diersoorten er op zijn minst toe in staat zijn.

Holland beschrijft tientallen dieren die een dier, vaak een jong, van een andere soort aandacht gaven of verzorgden. De voorloper (Unlikely Friendships, een bestseller uit 2011) staat er ook vol mee. In een Afrikaans opvangcentrum wordt een olifant vrienden met een schaap – dat toen ook acaciablaadjes ging eten. Een teef begint spontaan melk te geven als er kittens in haar mand gelegd worden. In een dierenasiel beschermt een watoesie-rund een kreupel paard. Een otter in zo’n asiel wordt vrienden met een das. Een huiskip broedt op een nest jonge hondjes.

Holland heeft geen wetenschappelijke pretenties. In haar pluizige boeken zijn dieren altijd cute en best buds en de enige getuigen zijn meestal hun verzorgers.

En toch lijken haar verhalen Frans de Waal gelijk te geven.

De bekende primatoloog pleit al jaren (ook in zijn nieuwste boek De bonobo en de tien geboden) tegen de beperkte darwinistische visie op altruïstisch diergedrag. En er zijn ook véél voorbeelden van altruïstische daden tussen dieren – van dezelfde soort, wel te verstaan. Eekhoorns alarmeren soortgenoten luidkeels als er een roofdier aankomt. Chimpansees adopteren elkaars baby’s. Zelfs mannetjes doen dat af en toe en daar maakt Disney dan een film over (Chimpanzee).

Er zijn twee klassieke evolutionaire verklaringen voor zulk altruïstisch gedrag. Eén: de dieren bevoordelen hun familieleden, waarmee ze indirect toch hun genen verspreiden. Twee: de dieren houden er rekening mee dat hun groepsgenoten hun in de toekomst óók gunsten zullen verlenen.

Maar waarom, springt een chimpanseeman die niet kan zwemmen, in het water om met gevaar voor eigen leven een jong te redden? De Waal werpt die vraag op in zijn klassiek geworden overzichtsartikel ‘Putting the altruism back into altruism’ (Annual Review of Psychology, januari 2008). Die is duidelijk niet bezig zijn genen te verspreiden, en evenmin is hij berekenend, vindt De Waal. „Het is moeilijk voor te stellen dat een chimpansee zich over zijn extreme angst voor water heen zet door berekenend te gokken dat hij er later profijt van heeft.” Nee, de aap voelt dat hij het kind moet redden – precies zoals mensen het voelen.

Dit gaat over altruïsme binnen één soort. Maar dat is niet wezenlijk anders dan een kapucijnaap met een penseelaap-jong, mailt hij desgevraagd. „De neiging om voor een ander dier te zorgen, is niet honderd procent zuiver geprogrammeerd voor de eigen jongen, alhoewel zulk gedrag daar aanvankelijk wel voor bedoeld was.”

Dat beaamt zoöloog Tim Clutton-Brock. De hoogleraar in Cambridge buigt zich net als De Waal over samenwerking tussen dieren. „De zorg voor niet-soortgenoten is afwijkend gedrag, dat veroorzaakt wordt door een evolutionair heel nuttige neiging: om in een groep aardig en meewerkend te zijn.”

Veel dieren zijn in principe tot ‘dierenliefde’ in staat, denkt hij. Maar in het wild dwingen de omstandigheden meestal tot competitie. Clutton-Brock: „Als een cheeta genoeg te eten heeft, zie je soms dat ze een jonge gazelle een paar dagen verzorgt. Ja, daar ken ik meerdere verhalen over.” Juist omdat uiterst gunstige omstandigheden zo weinig voorkomen, is het niet schadelijk als de neiging tot zorgen wat ‘slordig afgesteld’ is – een hongerig jachtluipaard weet heus wel dat ie een gazelle moet opeten. „En dat soort gedrag is dus wel een beetje interessant, maar niet heel erg. Want het enige wat je hebt, is een lijst anekdotes.”

Maar dan beginnen we over dolfijnen te spreken. Er zijn wereldwijd zeker tien dolfijnengroepen beschreven die samenleven met andere soorten dolfijnen. Zoals bij de Bahama’s. Daar leven tuimelaars en Atlantische vlekdolfijnen samen – ze zijn langdurig gevolgd door biologen. De twee soorten reizen en jagen samen, en de samenwerking is dus evolutionair te verklaren omdat het beide soorten direct voordeel oplevert.

Maar dat directe voordeel is er lang niet altijd, zagen de onderzoekers. Er is ook wederzijdse hulp, schijnbaar onbaatzuchtig. Jonge mannetjes die andere dolfijnen willen verkrachten (iets wat bij dolfijnen veel voorkomt) worden door volwassenen van beide soorten aangevallen. En één jong vlekdolfijnvrouwtje – dat sowieso opvallend ‘lief voor kinderen’ was – werd gespot terwijl ze continu een gewond tuimelaarjong op haar rug droeg (Aquatic Mammals, 1997).

Ja, daarvan zou je zou wel meer willen weten, beaamt de Britse zoöloog. „Bij dolfijnen is dat praktisch gezien heel lastig, maar misschien kun je het bestuderen bij hoefdieren die samen met andere soorten migreren, zoals zebra’s. Ik zou denken dat ze aan dieren van de andere soort nauwelijks echt kostbare hulp verlenen. Maar welke keuzes individuen maken, dat weten we niet.”

Misschien is dat dan het minste wat deze ‘lijst met anekdotes’ vertelt. Diersoorten gedragen zich in het algemeen zoals natuurlijke selectie voorschrijft. Maar individuen niet. Er zijn veel agressieve knobbelzwanen, maar ook ruimhartige.

En er zijn twijfelaars. Een wilde chimpanseeman ving eens een baviaan, om op te eten. Het angstige baviaantje klemde zich vast aan de buik van de chimp. Op dat moment begon de chimp de kop van het baviaantje te aaien en hem te likken, alsof het een jong was. Toen de chimp zich leek te realiseren waar hij mee bezig was, at hij het baviaantje op.