Opinie

Annemijn

Youp

Een van mijn beste vrienden kent Ireen Wüst heel goed en vertelde dat zij een week geleden haar buurmeisje Annemijn Kleibeuker door het olympisch dorp zag lopen en aan het kind vroeg wat ze kwam doen. Waarop de dreumes haar uitlegde dat ze met haar moeder mee was omdat die even 5 kilometer kwam schaatsen. Ireen legde het meisje uit dat dat niet zomaar kon omdat schaatsen al jaren een vak is, een heus beroep. Annemijn schudde haar kleine wijze bolletje en lachte: „Volgens mijn moeder is het gewoon een hobby. Niks meer en niks minder. Mama combineert het met een deeltijdstudie, het runnen van ons gezin en daarbij is ze ook nog fysiotherapeut. Trouwens: wedden dat ze brons pakt?”

Ireen keek verbaasder dan verbaasd, waarna het meisje brutaal vervolgde: „Jullie moeten weer eens een beetje normaal gaan doen met dat schaatsen. Ooit was het een vrolijke hobby, een grapje dat in de tijd van Ard & Keessie een beetje populair werd. Daarna is het door de hyena’s van de commercie ontdekt en gierend uit de hand gelopen. Je ziet de hele dag schaatsen op tv. Het is een soort testbeeld geworden, heel saai behang. Mijn moeder was dan ook helemaal klaar met die domme rondjes voor die lege tribunes in die verlaten spookhallen waar uitsluitend Nederlandse camera’s staan.

Maar nu vond ze het voor een keertje wel weer eens leuk. Omdat het de Olympische Spelen zijn. En als mama brons gepakt heeft, kom ik uitgebreid in beeld om de boel een beetje te relativeren. Om alles in het juiste perspectief te plaatsen. Het Fanny Blankers-Koengevoel. Dit alles onder het motto: het is maar schaatsen. Niks meer. Niks minder. Gewoon een hobby. Maar iedereen doet er al jaren veel te ingewikkeld en belangrijk over. Met voedingsdeskundigen en looptrainers en sportpsychologen en hoogtestages en Canarische motivatievakanties en weet ik veel wat. En als de trainer een keer een verkeerde aanwijzing geeft aan een gozer die zelf ook niet oplet, doet men of er een natuurramp gebeurd is. Of er dooien zijn gevallen. Het is maar schaatsen en niets meer dan dat. We moeten terug naar ooit: NK, EK, WK en een keer in de vier jaar olympisch. Dan is het weer leuk. Trouwens: wedden dat die Sven door een fietsenmaker geklopt wordt en dat-ie dan over zijn rug gaat zeuren?”

Totaal verbijsterd keek de aardige Ireen Wüst naar het lieve buurmeisje. Zoveel waarheid in één kleuter.

„Wil je later ook schaatsen?”, vroeg de topsportster aan het wijze meisje.

„Dat weet ik nog niet”, twijfelde de kleine, „schaatsen lijkt me leuk, het winnen helemaal, maar dat gedoe eromheen is zo verschrikkelijk. Elke dag serieus voor een camera keuvelen met die humorloze Bert Maalderink en doen alsof je leven ervan afhangt. En als je gewonnen hebt, moet je naar dat carnavaleske Holland Heineken Huis om te hossen met de koning en zijn mokkeltje. Of om naar de vlijmscherpe grapjes van twee cabareteske schnabbelkonten te luisteren. Maar het ergste lijkt me nog om op de foto te moeten met dat slecht geschilderde draaimolenpaard Camiel Eurlings. Wie heeft ooit bedacht dat die totale nitwit daar rond moet dolen? Waar is dit in godsnaam op gebaseerd? Sinds hij de KLM leidt, heb ik vliegangst!”

Geschrokken keek Ireen haar buurmeisje aan. Vijf jaar oud en dan zulke teksten. Voor ze iets kon zeggen, hinkelde het kind vrolijk de hoek om.

„Zou jij dit waargebeurde verhaaltje in de krant durven schrijven?”, vroeg mijn vriend aan mij en wees mij op de ervaring van mijn collega Matthew Futterman van The Wall Street Journal, die een bombardement aan haatmail over zich heen kreeg toen hij een relativerend stukje over de oranje medailletsunami bij het schaatsen in Sotsji had geschreven. Hij is zelfs fysiek bedreigd en heeft op ironische wijze zijn excuses aangeboden. Ik vertelde hem dat ik niet zo bang ben en dat ik niet denk dat er vandaag of morgen een analfabete oranje meute schaatsfanaten voor mijn deur staat te krijsen. Daarbij weet niemand waar ik woon. Toen vroeg mijn vriend voor welke krant ik ook alweer schreef.

NRC”, lachte ik, „een liberale kwaliteitskrant die heel voorzichtig omspringt met de privacy van kwetsbare individuen. Vraag maar aan Benno L. En ik heb een hele goede, betrouwbare juridisch adviseur.”

„Bram?”, vroeg mijn vriend.

„Nee, zijn broer!”