Wie is toch die man van de Tea Party-mars in Washington?

Dat de titel van deze essaybundel onvertaald bleef, is begrijpelijk. Het is een oud woord dat, aldus de auteur zelf, ‘zoveel betekent als iemand met een obsessie voor kranten en tijdschriften’, maar ‘bedruktpapier-gek’ klinkt minder intrigerend. Dat John Jeremiah Sullivan (1974) zelf pulphead is blijkt niet echt uit deze uiterst gevarieerde bundel. Wel is hij iemand met een obsessie voor excentriekelingen, obscure muziek en bizarre verschijnselen. Dat brede scala werkt, in deze bundel, niet altijd in zijn voordeel.

Sullivan beweegt zich als auteur op het terrein dat wordt afgebakend door schrijvers als Tom Wolfe, Bill Bryson en Hunter Thompson. Met Wolfe deelt hij het moeiteloos aanwenden van literaire technieken in zijn reportages, al is zijn stijl minder opgewonden dan die van Wolfe. Met Bryson heeft hij een brede belangstelling gemeen, maar dan zonder de dwangmatige neiging geestig te zijn die Brysons vroegere werk soms bijna onverteerbaar maakt. En net als Thompson neigt Sullivan ertoe zichzelf in zijn reportages als middelpunt op te stellen, maar dan als iemand die milder is, en minder excessief gedrag vertoont.

Een goed voorbeeld van die laatste aanpak is het openingsstuk, een (te) lange reportage over het Creation-festival, een bijeenkomst in landelijk Pennsylvania waar duizenden liefhebbers hun liefde betuigen voor rockmuziek met een christelijke lading. Sullivan stort zich er midden in, maar waar bij de meester van de Gonzo-journalistiek (fictie en non-fictie), Thompson, zijn aanwezigheid al snel tot ernstige confrontaties zou leiden, sluipt hier geleidelijk empathie en zelfonderzoek het verslag binnen. Niet dat dat een nadeel is, overigens. Ook in andere stukken toont Sullivan zich een geïnteresseerd, empathisch beschouwer, zoals in een mooie reportage over een Tea Party-mars in Washington D.C, en een verslag over een confrontatie met een stel reality-tv sterren, die hij vooral aanwendt om zijn stelling te onderbouwen dat reality-tv zich ‘met succes de werkelijkheid heeft toegeëigend’.

Over het algemeen bevielen de stukken over muziek mij minder. Sullivan schrijft uitgebreid over wildeman Axl Rose van Guns n’ Roses en haalt in een al even lange beschouwing over Michael Jackson weinig nieuws naar boven. Zijn ware interesse lijkt te liggen bij obscure zwarte blues- en folkmuzikanten (hij schrijft voor The Oxford American, een van de beste muziekbladen ter wereld) en veel van zijn fascinatie kan hij kwijt in een artikel over John Fahey, excentriek gitarist en archivaris van marginalia uit de oertijd van de zwarte Amerikaanse muziek.

Sullivan combineert de beste eigenschappen van de verhalenverteller met het scherpe oog van de verslaggever. En toch past hij niet binnen het rijtje van de hiervoor genoemde schrijvers. Waarschijnlijk omdat je na lezing van deze bundel nog nauwelijks een idee hebt van wie Sullivan is. En dat terwijl hij in de meeste stukken zelf aanwezig is en sommige onderwerpen uit zijn persoonlijke geschiedenis haalt.

Zo is er een wrange beschrijving van hoe zijn broer zichzelf bijna elektrocuteerde bij een oefensessie met zijn band in zijn garage. In een ander, geestig verhaal is zijn eigen huis in Wilmington, North Carolina, het onderwerp, wanneer dat als locatie wordt gebruikt voor een soapserie. Maar ook deze stukken leveren geen beeld op van de man achter de verhalen, zoals bij uiteenlopende chroniqueurs van de Amerikaanse samenleving als David Remnick en Joan Didion.

Persoonlijkheid is geen dwingende voorwaarde om een boeiend essay of reportage te schrijven, maar bij iemand die zelf een zo grote rol speelt in zijn stukken zou het wel helpen.