Vroege palliatieve zorg verbetert leven maar lijkt onrealiseerbaar

Door psychosociale hulp hebben kankerpatiënten een beter levenseinde. De vraag is of er hulp voor iedereen is.

Kankerpatiënten die te horen krijgen dat ze nog een half tot twee jaar te leven hebben, leven prettiger als ze meteen palliatieve zorg krijgen. Dat concluderen Canadese onderzoekers in hun woensdag online verschenen onderzoeksverslag in The Lancet.

Maar de zorginspanning in dat onderzoek was groot en het effect op de levenskwaliteit klein, schrijven twee Amerikaanse deskundigen in de psychosociale kankerzorg in een tegelijkertijd verschenen commentaar.

Palliatieve zorg is zorg die niet gericht is op genezing, maar op verbetering van de kwaliteit van leven voor iemand die binnen afzienbare tijd zal sterven. Dat eindige leven kan verbeteren met goede pijnbestrijding en aandacht voor het lichamelijke, psychosociale en spirituele welzijn van de patiënt en zijn familie. Dat zijn punten die in de palliatie-definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie staan.

Ruim 450 patiënten, vooral met borst-, darm-, prostaat- of longkanker, deden mee aan het Canadese onderzoek. De helft kreeg ‘gebruikelijke zorg’, een afspraak met de oncoloog en een oncologisch verpleegkundige als die dat voor het ziekteproces nodig vonden. Palliatieve zorg was er alleen als de arts het nodig begon te vinden of als de patiënt er om vroeg. De andere helft kwam maandelijks op de polikliniek voor een gesprek van 20 tot 50 minuten over pijn, lichamelijke en psychosociale problemen. Na ieder bezoek belde de palliatieve verpleegkundige ook nog eens op.

Die intensieve begeleiding had na drie maanden nog geen meetbare invloed op de kwaliteit van leven. Een maand later wel. Het onderzoek „ondersteunt de vroege inzet van specialistische palliatieve zorg”, concluderen de onderzoekers. De commentatoren denken niet dat dat lukt, niet alleen vanwege de kosten: „het is onwaarschijnlijk dat een zorgsysteem aan iedere patiënt zulke intensieve specialistische zorg kan geven”.