Opinie

Verdwaalde vrouw

Het begon al te schemeren toen een zeer kleine, oude vrouw zich op de Brouwersgracht naar me toekeerde met de vraag: „Weet u misschien de weg naar…” Ze noemde een straat die me bekend voorkwam en ik ergens in Amsterdam-West situeerde. Ze ging met een vriendelijk lachje voor me staan en zei: „Raar is dat toch, nou woon ik al zoveel jaren in dit deel van Amsterdam en opeens weet ik de weg niet meer.”

„Dat kan ons allemaal overkomen, mevrouw”, zei ik naar waarheid. Ik legde haar uit hoe ze er via de kortste weg kon komen. Ik moest het enkele malen herhalen, want aan haar vragende blik zag ik dat ze me niet helemaal begrepen had. Nu zegt dat niet alles: vaak begrijp ik mezelf ook niet meer helemaal als ik een route sta uit leggen; ik zou kunnen verdwalen op basis van mijn eigen aanwijzingen.

Het is ook reuze saai, zo’n opsomming van straatnamen, dus kon ik het aanvankelijk goed begrijpen dat ze mij onderbrak met enkele mededelingen over haar man. „Hij was drukker en is overleden aan loodvergiftiging. Daar wisten ze toen nog weinig van. Het was een goede man, hij is alweer een hele poos dood.”

Er ging mij pas een licht op toen zij deze mededelingen enkele malen herhaalde. Ik bekeek haar eens wat beter. Het was een vrouw van Indonesische afkomst, ze droeg een witte broek en zwart jasje en van haar gebit zag ik niet meer dan twee tanden in een donker gat. In haar handen hield ze een wit bakje met wat plantresten en een plastic zak. Al pratend nam ze afscheid. Ik keek haar bezorgd na.

Na enige aarzeling besloot ik haar te volgen. Halverwege de Keizersgracht haalde ik haar in. „Vindt u het goed dat ik even met u meeloop?”, vroeg ik. Ze had geen bezwaar, maar wees verder elke hulp koppig af. De spullen in haar handen mocht ik niet overnemen en mijn aanbod om een taxi te bestellen, lachte ze beslist weg. „Ik doe altijd alles lopend.”

Ze vertelde dat ze 84 jaar was, na de Tweede Wereldoorlog Indonesië met een Nederlandse man had verlaten, in Amsterdam met hem een gezin met vier kinderen had gesticht en nooit heimwee had gekend. Hoe lang hij precies dood was? Dat wist ze niet meer. Het was trouwens een goede man geweest, jammer dat hij in de drukkerij een loodvergiftiging…

Ik knikte en loodste haar in de richting van mijn huis. „Dan kunt u met mijn vrouw kennismaken en even uitrusten”, zei ik. Ze keurde het voorstel goed, maar meer om mij te plezieren. „Uw vrouw is toch niet jaloers?”, vroeg ze. Toen mijn vrouw opendeed, zei ze: „U zult wel denken: komt-ie met een vreemde vrouw aan.”

Toen ze zat bleef ze honderduit praten. Dat ze een mooi huis had en nog altijd voor zichzelf kookte. Wij verifieerden op een plattegrond haar straat en gingen gedrieën op weg, terwijl zij mijn vrouw meteen een arm gaf.

Ze herkende de straat waar ze woonde nauwelijks. Pas dichtbij haar flatgebouw wist ze het weer: dáár woonde ze, op de zevende etage. Trots liet ze ons haar woning zien, een aardige flat met een mooi uitzicht en een zee van planten in de woonkamer. Op een tafel lag een lijst met telefoonnummers van mantelzorgers. Ik noteerde het nummer van een dochter. Hartelijk zwaaide ze ons uit. We moesten gauw nasi bij haar komen eten.

Ja, zei de dochter aan de telefoon, dit kwam vaker voor, vooral bij goed weer, ze zou beter kunnen worden opgenomen, maar probeer tegenwoordig maar eens ergens plaats te krijgen.