Schouderklopjes voor de grensrechters

‘Heren”, begin ik, „u bent vandaag mijn assistenten en daar dank ik u zeer hartelijk voor.”

Zo’n tien minuten voor de aftrap sta ik met de grensrechters in mijn kleine kleedkamertje. Ik overhandig hun mijn prachtige, zelf meegebrachte vlaggen en vervolg mijn ingestudeerde, wekelijkse praatje met een tweede zin vol geslijm:

„Wij drieën vormen deze wedstrijd een team”, vlei ik verder, „en daarom vind ik het belangrijk dat we vooraf goede en duidelijke afspraken met elkaar maken.”

De kans is levensgroot dat die twee braaf knikkende mannen tegenover mij door hun clubs louter zijn gestrikt om alles wat straks maar een beetje naar buitenspel neigt resoluut af te vlaggen. Juist om die reden loop ik te slijmen. Ik probeer te benadrukken dat ik blij met ze ben, dat we het samen gaan doen en dat ik ze vertrouw. Het zijn stuk voor stuk leugens, maar in het minst slechte geval zorgen mijn mentale schouderklopjes voor net dat kleine beetje gevoel van waardering waar de man met de vlag al die tijd al zo naar hunkerde. Op het voetvalveld beschouwt men hem als een bijfiguur, een figurant. Ik erken echter dat hij meer in zijn mars heeft. Vergelijk het met een achtstegroeper die in de schoolmusical een boom moet spelen. Iedereen weet dat het een rol van niks is, maar een goede juf of meester heeft het vermogen om zo’n tekstloos, crêpepapierentakkenkind zich op dat podium onmisbaar te laten voelen. Bomen die zichzelf belangrijk vinden presteren beter dan bomen met een minderwaardigheidscomplex, dat weet ik bijna zeker. En grensrechters zijn net bomen.

Zoals ik mijn assistenten bespeel, bespelen zij mij. De meest geniepige exemplaren beginnen ruim van tevoren al over het weer, het veld of andere bijzaken te leuteren in de hoop mijn sympathie te winnen. Ze reageren overdreven instemmend op de afspraken die ik met ze maak en wensen me met een belachelijk blije grijns en een veel te stevige hand een „zeer prettige wedstrijd”.

Die wedstrijd is nog geen drie minuten aan de gang als de bal over de zijlijn gaat. Niemand weet welk team mag ingooien, maar die slang van een grensrechter vlagt met een uitgestreken gezicht in het nadeel van zijn eigen cluppie. Denkt die vent nou werkelijk dat ik hem na dit onbelangrijke spelmomentje als „eerlijk” bestempel en daarom zijn valse vlagsignaal op een cruciaal moment, later in de wedstrijd, zal overnemen? Ja, dat is precies wat hij denkt.

De psychologische oorlogsvoering tussen grens en scheids is een machtig interessant spel. Maar als we al weten dat we elkaar in de maling nemen, waarom zeggen we dan niet gewoon waar het op staat?

„Heren, u bent vandaag mijn assistenten. Ik weet dat ik u voor geen cent kan vertrouwen, dus doe vooral geen moeite met die gluiperige vlagtrucjes. Is dat duidelijk? Dan wens ik u een zeer prettige wedstrijd.”