Onder de feestvreugde verschool zich iets duisters, een volkswoede

Wanneer zal Bernlef de acht verhalen uit Wit geld geschreven hebben? Het is in of op de flap van het boek niet te achterhalen. De lezer moet het doen met de uitgeversopmerking dat de bundel één van de ‘diverse voltooide maar ongepubliceerde manuscripten’ is die de schrijver na zijn dood in oktober 2012 achterliet.

Is het een belangrijke vraag? Vanuit een bepaald kritisch vertrekpunt wel. Want neem nu de in de bundel als tweespan gepresenteerde verhalen ‘Onvervalste jazz’ en ‘Bevrijding’ waar duidelijk een Hermansiaanse toon en thematiek in doorklinkt: je zou ze misschien nog wel hoger aanslaan als Bernlef ze eind jaren vijftig had geschreven en niet een halve eeuw later.

In ‘Bevrijding’ zet Bernlef het Nederland aan het einde van de Tweede Wereldoorlog aanvankelijk neer als een muf hok waarin iemand de gordijnen opentrekt. Het plotselinge licht en de frisse lucht gaan echter al snel gepaard met een drukkende bedreiging. Wanneer Peter, de hoofdrolspeler van het lange verhaal, ziet hoe een vrouw door een menigte mensen kaalgeschoren wordt, denkt hij het volgende: ‘Die lachende, gnuivende koppen deden hem denken aan een schoolplaat: ‘Het volk dat de Bastille bestormt.’ [...] Onder die luidruchtige feestvreugde verschool zich iets duisters, een volkswoede die ieder ogenblik tot uitbarsting kon komen, zich een kolkende uitweg kon zoeken en alles op zijn weg zou vernietigen.’

Terwijl dit verhaal meteen weer duidelijk maakt waarom in het gedicht ‘Niet te geloven’ van Remco Campert ‘alles zoop en naaide’ en niet ‘dronk en vree’, daar kiest Bernlef er in ‘Onvervalste jazz’ voor om de nadagen van de bezetting iets subtieler te belichten. Een jongen luistert thuis in het geniep naar de ‘verboden’ muziek, wanneer er aangeklopt wordt door een Duitse soldaat. In plaats van de jongen te arresteren schuift hij aan en schoolt hij hem in de beginselen van de jazz. De soldaat weet wel dat Duitsland de oorlog aan het verliezen is, maar er helemaal aan toegeven wil hij nog niet. En dus ‘klinkt hij vermoeid, alsof hij, net als Billie Holiday, niet meer gelooft in wat hij zegt.’

De eerste zes verhalen in Wit geld, samengebracht onder de titel ‘Alles moet weg’, zijn bitser van toon. Je krijgt zo nu dan de indruk dat ze je niet verteld maar toegebeten worden. Zoals in het lange openingsverhaal ‘Wit geld’, wanneer een belastinginspecteur aan boord komt van een vliegtuig: ‘Voorzichtig informeerde hij of hier geen sprake was van een misverstand. Zijn ticket was economy. De meisjes lachten vriendelijk. U bent geüpgraded. Hij klom naar de bovenverdieping.’ Helemaal des Bernlefs zijn ook de komisch stemmende stroomversnellingen waarmee in een paar zinnen een paar jaar wordt samengevat.

Een speciale vermelding verdient het korte ‘De figurant’, over een man die zich er een leven lang voor inzet om stemloos en onzichtbaar te zijn. Hij ziet zich genoodzaakt eindelijk zijn stem te verheffen als iemand hem in de vorm van een profilerend journalistiek artikel een identiteit toebedeelt. Het ‘ware verhaal’, zo protesteert de figurant, ‘leent zich er niet toe verteld te worden. Het leeft in het verborgene, onbereikbaar voor schrijvers zoals u.’