In den beginne was er poep

Aan de drol zit een hele wereld vast, waarin alles met alles samenhangt. Bioloog Midas Dekkers laat het zien in zijn geschiedenis van het poepen. En steeds stelt hij daarbij de vraag: hoe komt dat ding daar?

Ik zeg het maar gewoon zoals het is: ik heb een week lang met mijn hoofd in een boek over poep gezeten. Aanvankelijk had ik bij het lezen nog wegwerphandschoenen aan en hield ik de ramen open, maar al gauw vergat ik mijn eerste instinctieve afweer en ging ik er volledig in op. Het was wat je noemt een lekker boek. Ik las over de grootste dinosaurusdrollen ooit gevonden: 45 centimeter. Ik las dat een nijlpaard 55 meter darm heeft. Ik las over de mode van het klisteren en over verschillende klisteerspuiten. Ik las over de gewoonte van misdadigers om op de plaats van het misdrijf een drol achter te laten. Ik las over de rol van verstopping in het leven van Maarten Luther, en over de daaruit logisch voortvloeiende vraag hoe de reformatie eruit zou hebben gezien ‘als Luther meer vezels had gegeten.’

En over de timmermansleerling, ergens in Engeland, omstreeks 1725, die zich bij een arts meldde met een bijzondere medische klacht: hij had een vork in zijn achterste, de tanden staken uit zijn bil, maar hij kon hem er zelf niet meer uit krijgen. ‘In verband met zijn hardlijvigheid had hij voornoemde vork zijn fondament ingestoken met de gedachte zich op deze wijze zelf te helpen, maar ongelukkigerwijze schoot de vork zo ver door dat hij hem er niet meer uit kon krijgen’, zo meldde de arts in zijn verslag van het voorval.

Het zijn leuke berichten, met leuke taalkundige bijzonderheden (wanneer las ik voor het laatst het woord ‘hardlijvigheid’, wie spreekt nog over zijn ‘fondament’?), maar ze vervullen je toch ook meteen met een mengsel van huiver en plaatsvervangende ongemakkelijkheid. Je helt vanzelf iets meer naar voren op je stoel, ook uit solidariteit met de arme timmermansleerling.

Gelukkig lukte het de dokter om de vork vrij te maken, zodat hij hem in zijn verslag goed kon beschrijven: ‘Hij is 16 centimeter lang, een langwerpig stuk klein bestek; het handvat is van ivoor, maar sterk donkerbruin verkleurd; het ijzeren gedeelte is zeer zwart en glad, maar niet roestig.’ Er zijn meer vreemde voorwerpen die bedoeld of onbedoeld in de einddarm belanden, en er zijn meer dokters die er lijsten van hebben aangelegd. Dit kwam een Engelse arts in 1865 allemaal tegen: ‘Flessen, potten, kopjes, een vingerhoedje, een weefspoel met garen en al, een varkensstaart, beslagringen, stukjes hout, ivoor, metaal, hoorn, kurk, been, etc.’ Wat doet die varkensstaart daar tussen?

Het is allemaal te vinden in het nieuwe boek van Midas Dekkers: De kleine verlossing of de lust van ontlasten. Het is een wat chique titel voor wat het eigenlijk is: een boek over poep. Poep is, zo merkte ik al gauw bij het lezen, eenvoudig een enorm interessant onderwerp. En zeker als het door iemand als Midas Dekkers wordt behandeld. Hij doet iets waar ik, zelf nogal geneigd tot geestelijke obstipatie, erg jaloers op ben: hij begint gewoon ergens te vertellen, en hij vertelt maar door, en het enige waar hij onderweg op let is dat het steeds boeiend blijft.

Ik weet ook wel dat daar achter de schermen vooraf en achteraf het nodige aan compositie is aangebracht, maar zo ziet het er niet uit. Dekkers begint gewoon met dat ding dat we allemaal uit eigen dagelijkse ervaring wel kennen: de drol. En hij doet vervolgens 250 bladzijden lang niets anders dan nieuwsgierige vragen stellen: hoe komt dat ding daar, wat is het, wat zegt de kleur en de geur, en de textuur, en waar gaat-ie straks, na het doorspoelen eigenlijk naar toe – enzovoort.

De drol staat (of ligt, of drijft) niet op zichzelf. Daar zit een hele wereld aan vast. ‘Alles hangt met alles samen dankzij stront.’ Dat klinkt leuk, maar het is nog waar ook – en niet alleen in biologische zin. Er zit enorm veel vast aan de drol, op allerlei manieren, in allerlei tijden, in allerlei culturen. De bioloog die Dekkers van huis uit is treedt hier vaak op de voorgrond. Er zit een hele verhandeling in dit boek over wat er spijsverteringstechnisch allemaal gebeurt in ons lichaam tussen inname en uitwerping van het voedsel. En over wat er daarna gebeurt: wat doen mestkevers en strontvliegen zoal de hele dag?

Van mest, en bemesting door de eeuwen heen, gaat het dan vanzelf naar kunstmest. En naar de ontdekking van guano (vogelpoep). En naar de barre omstandigheden waaronder guano gewonnen werd. En naar de gevaren van al die mest, en al dat methaan, voor het milieu. Zo maakt Dekkers vaak binnen enkele alinea’s de sprong van het kleinste kamertje, waar de mens zich in intieme en tevreden afzondering overgeeft aan de lust van het ontlasten, naar de toekomst van de planeet, van kleine naar grote dampkring.

Dekkers wijdt heel wat pagina’s aan de cultuurhistorische kant van de zaak: het verwijderen van poep, door de eeuwen heen, uit de stad. En de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid. Hij heeft ook veel aandacht voor de sociologische kant van onze ontlasting: het zindelijk maken van peuters, het taboe op het spreken over poep. De psychologie: de zin en de onzin van Freuds gedachten over de orale, anale en fallische fase. De seksuele belangstelling voor poep en voor de poepuitgang. Allerlei medische klachten komen voorbij.

En passant geeft Dekkers een aardige bloemlezing van poep en scheet in de wereldliteratuur. Hij gaat ook uitgebreid in op de handel in poep, en de waardevolle stoffen die er nog in poep zitten (in het hoofdstuk ‘Het bruine goud’). En als het allemaal te serieus dreigt te worden, wat eigenlijk nooit het geval is, dan last Dekkers een grap in, om zijn lezers even te ontspannen, en zo bij de les te houden. Laat ik dat ook maar even doen. Komt een man bij de dokter. ‘Dokter, ik kan maar niet ophouden met winden laten.’ De dokter denkt na, loopt naar achteren en komt terug met een stok van twee meter, aan het eind voorzien van een vervaarlijke haak. De man verbleekt. ‘Wat gaat u daarmee doen?’ ‘Het raam openmaken’, antwoordt de dokter, ‘en gauw ook, ik stik zowat.’

Dekkers is dus een goede schrijver. Een ouderwetse verteller die de aandacht van een groot publiek moeiteloos vasthoudt. Hij varieert veel van toon. Hij zoomt snel in en uit. Hij zoekt steeds parallellen met het heden. Hij geeft goede voorbeelden. Hij verzint aanschouwelijke vergelijkingen. Het hele spijsverteringsstelsel wordt ons voorgesteld als een ondergronds metronetwerk, met verschillende lijnen en stations. Hij gebruikt ook andere verkeersattributen, als het om opstoppingen gaat. Een aambei vergelijkt hij met een geschaarde vrachtwagen, obstipatie met een file. En hij houdt van mooie woorden en mooie definities die soms, tussen alle joligheid door, de vorm aannemen van een aforisme, of een wijsheid.

Wat is een windje? ‘Een windje is weinig anders dan een drol met alle stront eraf geschraapt.’ En hoort de inhoud van de darm nu wel of niet bij het lichaam? ‘Strikt genomen bevindt alles in de darm zich immers buiten het lichaam, net zoals alle lucht in het gat van een garenklosje niet tot het klosje behoort maar tot de buitenwereld.’

Dit zijn de momenten waarop dit poepboek zich toch even loszingt van de werkelijkheid van aandrang en afvegen. Het meest interessant vind ik de passages waarin hij met Darwiniaanse blik naar al het gepoep probeert te kijken – al vraag ik me wel af of al die evolutietheoretische ‘verklaringen’ altijd kloppen.

Waarom stinkt onze poep? Zo houden onze uitwerpselen ‘opzettelijk mensen op een afstand om de verspreiding van ziekten tegen te gaan.’ Waarom hebben kersen een laxerende werking? Dan worden ze door vogels snel weer uitgepoept, zodat de pitten ervan zich, met het oog op de voortplanting, snel kunnen verspreiden. Volgens mij zien wij hier vooral ook de menselijke neiging om twee na elkaar optredende gebeurtenissen van een oorzakelijk verband te voorzien.

Dan geloof ik eerder in de nog kosmischer blik waarmee Dekkers af en toe naar ons functioneren kijkt. ‘Waartoe zijn wij op aarde? Wij zijn op aarde om stof te wisselen. Stofwisseling levert de energie waar het leven op draait.’ En dat is allemaal alleen maar mogelijk om dat daar, een eindje verderop in de kosmos, een zon staat te stralen. ‘In wezen is het leven niets anders dan de omweg waarlangs de energie van een sprankje zonlicht nog even buiten mag spelen voordat ze in warmte opgaat of in de diepten van het heelal verdwijnt.’ Zo. Denk daar maar eens even over na. Het is misschien geen nieuwe gedachte, maar het is goed om het maar weer eens te lezen. ‘Dieren, planten, mensen: wij zijn het speelgoed van de zon.’

Midas Dekkers heeft een mooi boek over poep geschreven. Het is een boek dat je in één ruk kunt uitlezen, heb ik gemerkt. Of elke dag een bladzijde, dat kan ook. Op de wc bijvoorbeeld, door Midas Dekkers aangeprezen als de ideale leesplek. Je zou je dit boek zelfs in scheurkalendervorm kunnen voorstellen: elke dag een blaadje. Het ligt voor de hand om nu de grap te maken dat je dan na lezing je gat ermee kan afvegen, maar dat zal geen enkele lezer van Dekkers’ boek doen. Daarvoor heeft hij veel te krachtig, en veel te geestig, uitgelegd hoe goor de gewoonte is om wc-papier te gebruiken – en dat nog wel in het waterrijke Westen, waar men ‘bakken water stort om de drol zelf de wereld uit te sturen’, maar ‘er kan geen kommetje water van af om ook de sporen uit te wissen.’ Een leerzaam boek.