Elkaar een uur lang zwijgend bekijken

De mannen in de zevende roman van Jan van Mersbergen zijn uitgesproken man-achtige mannen. Ze vluchten in of juist uit de roes.

Als Jan van Mersbergen een roman De laatste ontsnapping noemt, zou je kunnen denken dat het ook meteen zijn laatste roman zal zijn. Want de ontsnapping is al zeven boeken lang het hoofdthema in Van Mersbergens werk. Van zijn zich in de polder afspelende eerste romans tot zijn twee beste boeken: de magistrale boksersroman Morgen zijn we in Pamplona (2007) en het unieke carnavalsverhaal Naar de overkant van de nacht (2011), dat de nu 42-jarige auteur terecht de BNG Nieuwe Literatuurprijs opleverde. Altijd volgen we mannen op de vlucht.

Die mannen van Van Mersbergen zijn zeer man-achtige mannen. Niet dat ze geen gevoelens hebben, maar erover praten vinden ze een beetje overdreven. Ze lijken geschapen om te zwijgen. Is bij de meeste schrijvers – en het gros van de mensen – zwijgen in eerste instantie de afwezigheid van taal, een gebrek aan communicatie, bij Van Mersbergen voltrekt alles wat er werkelijk toe doet zich zonder woorden.

Zie de sleutelscène van De laatste ontsnapping, waarin een vader en zijn tienjarige zoon elkaar voor het eerst ontmoeten, in de marge van een karateles. Man en jongen weten met moeite een paar korte zinnen uit te wisselen, zo informeert het kind naar de leeftijd van de man: ‘Het was alsof hij die vraag voorbereid had, zo van: als ik hem zie moet ik mijn vader vragen hoe oud hij is. Dan heb ik in ieder geval wat te vragen.’ Na een handvol zinnen hebben de twee niets meer te zeggen. Van Mersbergen schrijft: ‘Weer keken ze elkaar aan. Ze zouden een uur onafgebroken naar elkaar kunnen kijken, langer nog.’ Of: hoe een mens een brok in zijn keel kan krijgen door een doodeenvoudige zin.

Uiteindelijk is dat het hoogste in het universum van Jan van Mersbergen: een uur onafgebroken naar elkaar kijken – of langer nog. De tijd stilzetten. Dat is ook het moment waarop vluchten niet meer hoeft. De titel van het boek verwijst naar een hele reeks vluchtpogingen, al is van meet af aan duidelijk wat de laatste ontsnapping zal zijn. De roman is het verhaal van twee vaders en twee zonen. De naamloze verteller is een juist uit zijn kantoorbaan gekeilde, hoogopgeleide Amsterdammer die pas door zijn ontslag betrokken raakt bij de opvoeding van zijn tienjarige zoon: ‘Soms kijk ik naar Ruben als naar een nieuwe telefoon. Mijn vinger gaat voorzichtig over het scherm, ik druk af en toe op een icoontje, kijk wat er gebeurt, en ben steeds verrast.’ Ruben is onafscheidelijk van zijn vriendje Deedee, de vrucht van een onenightstand van zijn moeder met een onbekende man. Deedee weet zijn moeder het telefoonnummer van de vreemde te ontfutselen, wat leidt tot de zwijgontmoeting.

De vader, Ivan, blijkt een juist voor de oorlog uit voormalig Joegoslavië gevluchte man te zijn die zich nu in leven houdt met jenever en een Houdini-achtige act aan de rafelranden van het Amsterdamse uitgaansleven. Hij laat zich vastbinden door mensen uit het publiek, steekt zijn jas in de fik en worstelt zich los. Hij oogst zo veel succes dat hem gevraagd wordt zijn act ook bij een amateurvoetbaltoernooi aan de Côte d’Azur te demonstreren. Er mogen mensen mee. Zo gaan de twee vaders en twee zonen op stap voor wat wel de ultieme ontsnapping moet worden. Tegen die tijd is duidelijk dat Ivan wellicht niet de grootste vluchteling van de twee volwassenen is. Want hij lijkt door de kennismaking met zijn zoon – die sprekend op zijn in het oorlogsgebied achtergebleven jongere broertje lijkt – pas op de plaats te maken.

Nee, de grootste vluchteling is de verteller. Die meent weliswaar dat hij met zijn ontslag zijn grote ontsnapping uit het doodse kantoorleven heeft beleefd, maar hij is nog niet tot rust gekomen: hij zoekt het gezelschap van Ivan voortdurend op en raast in hoog tempo door de kroegen. De Joegoslaaf begrijpt maar weinig van de rusteloosheid van de Hollander. „Jij hebt alles, maar je bent verliefd op je hypotheek.”

In de levensechte weergave van de hitsige dronkemanstochten grijpt Van Mersbergen terug op wat hij in Naar de overkant van de nacht al bewees te kunnen: zijn lezers meevoeren in de roes van de hoofdpersoon. Waar dat verlangen in Van Mersbergens vorige roman tot een (alcoholische) eenheid maakte, is het in De laatste ontsnapping maar een van de bouwstenen. Er is ook de aan verliefdheid grenzende fascinatie van de verteller voor zijn nieuwe vriend, de aftastende aanhankelijkheid tussen de vader en de zoon die elkaar niet kennen, de spanning rondom de ontsnappingsact, de vertrouwelijkheid van de kinderen en de heimwee van Ivan naar zijn geboortegrond.

Wie in dit spectrum overigens geheel ontbreken, zijn vrouwen – anders dan als scharrels die mannen in dronkenschap een onbezet toilet in trekken. De (bedrogen) echtgenote blijft een schim in het boek, of de nachtelijke escapades van de man binnenshuis nog conflictstof opleveren, blijft onvermeld. Al zijn de oogkleppen van deze overspelige psychologisch best te verdedigen, daardoor maakt De laatste ontsnapping wel een wat onevenwichtige indruk.

Daar staat veel moois tegenover. Bijvoorbeeld de scènes waarin de jongens moppen vertellen: ‘Wat is de overeenkomst tussen de woestijn en je billen?’ Het antwoord: cactussen. ‘De jongens lachten heel hard en ik waarschijnlijk ook, maar Ivan begreep het niet. Dit soort dingen in onze taal, die kon hij niet volgen. Deedee legde uit: Kak, tussen. Heel duidelijk zei hij het, en Ivan glimlachte, maar ik zag dat hij het nog steeds niet doorhad.’

De schoonheid van de passage zit in de kleine toevoegingen, het ‘ik waarschijnlijk ook’ en vooral het ‘heel duidelijk’, waaruit de hele onwennige liefde van de zoon voor zijn nieuwverworven vader oprijst. Want een gewone vader is het niet, natuurlijk. Hij leent zich voor bewondering door zijn stoere voorkomen, maar hij is ook een buitenstaander die zijn zoon nodig heeft om een mop uitgelegd te krijgen. Er volgen meer moppen, met groeiend medelijden van de jongens voor Ivan, die ze maar niet weet te vatten.

Van Mersbergen grossiert in dat soort scènes, waarin kleine gebaren en onuitgesproken gedachten je zomaar de adem benemen. Zoals die waarin de vaders en zonen staan te vliegeren aan de Middellandse Zee (het water dat naar Ivans geboortegrond leidt) en de ex-Joegoslaaf met een al dan niet opzettelijke ruk het touw doet breken. De vlieger stort in zee. Weg symbolische band met vroeger. Er wordt niets over gezegd, maar de tijd staat even stil.